Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2018 door de Heffingsambtenaar is vastgesteld op €418.000. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam.
Het Hof beoordeelde of de WOZ-waarde juist was vastgesteld, of de Heffingsambtenaar het verbod op willekeur, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel had geschonden. De waarde was bepaald via een systematische vergelijking met vier vergelijkingsobjecten, waarvan twee als goed vergelijkbaar werden beschouwd. De waarde werd niet te hoog geacht, mede omdat rekening was gehouden met verschillen tussen de objecten.
Belanghebbende voerde aan dat de waardebepaling niet transparant was en dat de Heffingsambtenaar niet alle relevante feiten had betrokken. Het Hof oordeelde dat het taxatieverslag, de grondstaffel en de matrix voldoende inzicht boden. Het beroep op schending van het verbod op willekeur en het vertrouwensbeginsel faalde.
Verder stelde belanghebbende een overschrijding van de redelijke termijn vast. Het Hof constateerde dat de beroepsfase langer dan anderhalf jaar duurde en de totale duur van bezwaar en beroep vier jaar en zes maanden bedroeg, wat zes maanden te lang was. Daarom kende het Hof een immateriële schadevergoeding van €500 toe.
Het Hof wees het hoger beroep af, veroordeelde de minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van de schadevergoeding, proceskosten van €1.518 en het griffierecht van €128 aan belanghebbende.