In deze zaak vordert de appellant, chef-kok bij A’DAM, een verklaring voor recht en betaling van aanvullende bonussen over de jaren 2016, 2017 en 2018. De kern van het geschil betreft de uitleg van de bonusregeling in zijn arbeidsovereenkomst, waarin het begrip 'brutowinst' centraal staat. De appellant stelt dat dit begrip moet worden uitgelegd als de totale brutowinst van A’DAM als geheel, terwijl A’DAM betoogt dat het uitsluitend de brutowinst van het restaurant [A.] betreft.
De kantonrechter wees de vorderingen van appellant af, waarna appellant in hoger beroep kwam. Het hof hanteerde de Haviltex-maatstaf voor contractuitleg en concludeerde dat de functieomschrijving en de omstandigheden rondom de overeenkomst geen aanwijzingen geven voor een bredere uitleg dan de brutowinst van restaurant [A.]. Daarnaast achtte het hof de door appellant voorgestane economische definitie van brutowinst niet passend binnen de context van de arbeidsovereenkomst.
Het hof overwoog verder dat de appellant onvoldoende concrete stellingen en bewijs heeft geleverd die tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. De vorderingen worden daarom afgewezen en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. De appellant wordt veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.