De heffingsambtenaar van de gemeente stelde bij beschikking van 29 februari 2020 de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende vast op €193.000 voor het kalenderjaar 2020. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar de heffingsambtenaar handhaafde de waarde bij uitspraak op bezwaar van 15 september 2020. Hiertegen stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank Noord-Holland, die bij uitspraak van 24 juni 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam. Tijdens de zitting van 18 mei 2022 bereikten partijen een compromis waarbij de WOZ-waarde werd verlaagd naar €180.000. Tevens werd overeengekomen dat de heffingsambtenaar de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van €2.702 zou vergoeden, evenals de griffierechten voor beroep en hoger beroep van in totaal €182. De kosten van het taxatierapport van belanghebbende kwamen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting 2020 dienovereenkomstig dient te worden verminderd. Hiermee werd het geschil over de WOZ-waarde en de aanslag beëindigd.