ECLI:NL:GHAMS:2021:3392
Gerechtshof Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding voorlopige hechtenis wegens gebrek aan billijkheid
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van schade en kosten rechtsbijstand voortvloeiend uit voorlopige hechtenis in een strafzaak die eindigde zonder strafoplegging. De voorlopige hechtenis vond plaats in verband met verdenking van het vervaardigen en voorhanden hebben van niet-belaste sigaretten.
De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn, en het hof bevestigde dit later omdat het OM het hoger beroep niet voortzette. Verzoeker stelde dat hij slachtoffer was van mensenhandel en dat zijn voorlopige hechtenis onterecht was, maar het hof oordeelde dat de betrokkenheid van verzoeker bij strafbare feiten voldoende vaststond en dat hij het ontstaan en voortduren van de verdenking aan zichzelf te wijten had.
Op grond van artikel 534 Sv Pro is vergoeding van schade en kosten mogelijk bij het eindigen van een strafzaak zonder strafoplegging, mits gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het hof stelde dat de omstandigheden van de zaak en de houding van verzoeker geen billijkheid tot vergoeding van de schade rechtvaardigen, maar wel tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze procedure.
Daarom kent het hof een vergoeding van € 680 toe voor de rechtsbijstandkosten en wijst het overige verzoek af. De beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 9 november 2021.
Uitkomst: Verzoeker ontvangt geen schadevergoeding voor voorlopige hechtenis, wel een vergoeding van € 680 voor rechtsbijstandskosten.