Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Procesverloop
2.Vaststaande feiten
- a) [verweerder] , een vastgoedondernemer, is op 1 september 2008 met ING een geldlening aangegaan voor een bedrag van € 460.000,00. Zijn woonhuis is daarbij verhypothekeerd.
- b) Spoedig na het aangaan van deze geldlening heeft [verweerder] achterstanden laten ontstaan in de betaling van rente en aflossingen. De achterstanden werden enige keren ingelopen, maar zijn vanaf de tweede helft van 2011 weer opgelopen. Bij brief van 24 januari 2013 is de lening door ING opgezegd en is de totale schuld opgeëist. Om executoriale verkoop ervan te voorkomen heeft [verweerder] zijn woonhuis met instemming van ING onderhands verkocht. Uit de opbrengst kon ING niet geheel worden voldaan.
- c) Met een schuldenlast van ongeveer € 650.000,00 is [verweerder] in april 2016 het schuldsaneringstraject ingevolge de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) ingegaan. Bij vonnis van 29 april 2019 heeft de rechtbank Rotterdam hem een zogeheten schone lei verleend (artikel 358 van Pro de Faillissementswet). ING heeft toen € 2.000,00 via de uitdelingslijst ontvangen en haar vordering voor het overige, omvattende een bedrag van € 206.767,21 moeten afboeken.
- d) In verband met voorgaande is [verweerder] geregistreerd in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van de stichting Bureau Kredietregistratie (BKR) met de (bijzonderheids)coderingen A (“Achterstand”), 2 (“Restantvordering geheel opeisbaar”) en 3 (“bedrag van 250 Euro of meer is afgeboekt”) ten aanzien van de met ING gesloten overeenkomst, met als einddatum van de overeenkomst 4 juli 2019. Vanaf dat moment is de in artikel 28 lid Pro 1 (oud) Algemeen Reglement CKI (inmiddels artikel 14 AR Pro CKI) vastgelegde termijn van vijf jaar gaan lopen, derhalve tot 4 juli 2024.