Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2021:2184

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
27 juli 2021
Zaaknummer
23-003968-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WVW 1994Art. 13 Besluit alcohol drugs geneesmiddelen verkeerArt. 17 Besluit alcohol drugs geneesmiddelen verkeerArt. 19 Besluit alcohol drugs geneesmiddelen verkeerArt. 359a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens niet-effectief tegenonderzoek bij rijden onder invloed van cannabis

Op 8 maart 2019 werd verdachte aangehouden na een positieve speekseltest op cannabis tijdens een verkeerscontrole in Amsterdam. Verdachte gaf toestemming voor bloedafname, waarbij een THC-gehalte van 4,1 microgram per liter werd vastgesteld, hoger dan de wettelijke grenswaarde. Verdachte liet vervolgens twee tegenonderzoeken uitvoeren door een geaccrediteerd laboratorium (UMCG), die echter verschillende en uiteindelijk ingetrokken resultaten opleverden.

Omdat na deze onderzoeken onvoldoende bloed overbleef om een nieuw tegenonderzoek te verrichten, kon verdachte zijn recht op tegenonderzoek niet effectief effectueren. Het hof oordeelde dat zonder een effectief tegenonderzoek geen sprake was van een wettig onderzoek in de zin van artikel 8, vijfde lid, WVW 1994. Hierdoor kon het oorspronkelijke bloedonderzoek niet als bewijs dienen.

De advocaat-generaal had een veroordeling gevorderd, stellende dat het recht op tegenonderzoek was gewaarborgd. De verdediging betoogde dat het ontbreken van een betrouwbaar tegenonderzoek het bewijs onbruikbaar maakte. Het hof volgde de verdediging en sprak verdachte vrij wegens onvoldoende wettig bewijs.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens het ontbreken van een effectief tegenonderzoek waardoor het bloedonderzoek niet als wettig bewijs geldt.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003968-19
datum uitspraak: 27 juli 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 96-171512-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 8 maart 2019 te Amsterdam een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 4,1 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.
Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verdachte het recht op tegenonderzoek heeft kunnen uitoefenen en dat het feit dat dit tegenonderzoek niet tot een betrouwbaar resultaat heeft geleid, niet meebrengt dat het resultaat van het eerste onderzoek onbetrouwbaar is. Wel is sprake van een vormverzuim, waarbij zou kunnen worden volstaan met een constatering daarvan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat het onderzoek naar de aanwezigheid van drugs in het bloed van de verdachte niet voldoet aan de eisen gesteld in het Besluit. Daartoe is, kort gezegd, het volgende aangevoerd.
De verdachte heeft geen effectief gebruik kunnen maken van zijn recht op tegenonderzoek als bedoeld in art. 13 van Pro het Besluit. Het recht op tegenonderzoek maakt deel uit van het stelsel van strikte waarborgen, zodat het resultaat van het onderzoek niet bruikbaar is voor het bewijs en geen sprake is van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 WVW Pro 1994.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Feitelijke gang van zaken
Op 8 maart 2019 rond 20.15 uur is de verdachte in het kader van een verkeerscontrole gevorderd mee te werken aan een onderzoek van zijn speeksel. Dit gaf als resultaat een indicatie voor (het gebruik van) cannabis. De verdachte is daarop aangehouden wegens verdenking van overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW 1994) en overgebracht naar het politiebureau. Hij heeft desgevraagd toestemming gegeven voor een onderzoek van zijn bloed. Op 8 maart 2019 om 21.53 uur heeft een arts bloed afgenomen. In een rapport van het laboratorium Labor Mönchengladbach van 16 april 2019 is als resultaat van het bloedonderzoek vermeld dat het bloed van de verdachte een cannabis/THC-gehalte van 4,1 microgram per liter bloed bevatte.
De verdachte heeft een tegenonderzoek laten uitvoeren door het laboratorium van het Universitair Medisch Centrum Groningen (verder: het UMCG), destijds een geaccrediteerd laboratorium in de zin van artikel 14 het Pro Besluit. Het UMCG heeft, teneinde dit onderzoek te kunnen doen, een monster van het afgenomen bloed van de verdachte opgevraagd bij het Labor Mönchengladbach en tegenonderzoek verricht. Het UMCG heeft bij brief van 14 juni 2019 de uitslag aan de verdachte medegedeeld, te weten dat in zijn bloed een cannabis/THC-gehalte van 10 microgram per liter bloed was aangetroffen. Op verzoek van de verdachte is door het UMCG nogmaals onderzoek gedaan. Op 11 juli 2019 is de verdachte geïnformeerd dat het UMCG dit keer een cannabis/THC-gehalte van 6,1 microgram per liter bloed had vastgesteld.
Bij brief van 12 juli 2019 met als onderwerp: “Intrekken uitslag” heeft professor dr. [naam] van het UMCG, de verdachte medegedeeld dat de uitslag van 14 juni onbetrouwbaar is, dat deze uitslag wordt ingetrokken, de kosten van het onderzoek worden teruggestort en het monster wordt geretourneerd naar Labor Mönchengladbach. Het hof begrijpt deze brief aldus dat de resultaten van beide hiervoor genoemde onderzoeken door het UMCG worden ingetrokken.
Aan de verdachte is overtreding van artikel 8, vijfde lid, WVW 1994 tenlastegelegd.
Juridisch kader
De desbetreffende bepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving luiden, voor zover hier relevant, als volgt:
Artikel 8, vijfde lid, van de WVW 1994 luidt, voor zover relevant:
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde (…)”.
Artikel 163, van de WVW 1994 luidt, voor zover relevant:

4. In het geval, bedoeld in het derde lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid, of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid, onderdeel b.

[…]

6. De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.

[…]

10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160, vijfde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.

Artikel 13, tweede lid, van het Besluit luidt, voor zover hier relevant:
De opsporingsambtenaar wijst de verdachte bij de bloedafname erop dat hij het recht op tegenonderzoek heeft, indien het verslag van het bloedonderzoek, bedoeld in artikel 16, tweede lid, het vermoeden bevestigt dat hij artikel 8, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, […] heeft overtreden, tenzij de bloedafname in het kader van een tegenonderzoek geschiedt.
Artikel 17 van Pro het Besluit luidt, voor zover hier relevant:
De opsporingsambtenaar stelt de verdachte […], schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek […].
Artikel 19 van Pro het Besluit luidt, voor zover hier relevant:
In geval van een tegenonderzoek stelt het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek heeft verricht, het voor dat onderzoek bestemde buisje met bloed ter beschikking aan het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het tegenonderzoek verricht.

2 [..]

a.
het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het tegenonderzoek verricht, ervoor zorgt dat na het verrichten van dat onderzoek het resterende bloed naar het laboratorium wordt terugbezorgd die het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek heeft verricht, en
b.de onderzoeker het verslag van het tegenonderzoek naar de verdachte stuurt.
Het oordeel van het hof
Vooropgesteld moet worden dat van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl. Hoge Raad 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AD6952).
Tot die waarborgen behoren onder meer de voorschriften van artikel 13 lid Pro 2, artikel 17 en Pro artikel 19 van Pro het Besluit die ertoe strekken de verdachte op de hoogte te stellen van het onderzoeksresultaat en een tegenonderzoek te kunnen doen verrichten (vgl. HR 26-05-1987, ECLI:NL:PHR:1987:AD6605 en HR 22 januari 2018, ECLI:NL:HR:2019:92).
De verdachte heeft van dit recht op tegenonderzoek gebruikgemaakt en tot tweemaal toe zijn monster laten onderzoeken door een geaccrediteerd, daartoe aangewezen laboratorium. Nu dat laboratorium de (verschillende) uitkomsten van dat tegenonderzoek niet betrouwbaar achtte, heeft het de resultaten van dat onderzoek ingetrokken. De verdediging heeft onweersproken gesteld dat er na dat tegenonderzoek onvoldoende bloed resteerde om andermaal tegenonderzoek door een ander laboratorium te laten uitvoeren. Aldus is geen sprake geweest van een effectief tegenonderzoek.
Nu de verdachte zijn recht op tegenonderzoek in deze zaak niet heeft kunnen effectueren, is geen sprake van "een onderzoek" als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, WVW 1994. Om die reden moet de verdachte worden vrijgesproken. Artikel 359a Wetboek van Strafvordering is in een situatie als de onderhavige niet van toepassing.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. C.N. Dalebout en mr. N. van der Wijngaart, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 juli 2021.
Mr. C.N. Dalebout en mr. N. van der Wijngaart zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
.