ECLI:NL:GHAMS:2021:1037
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis woonboot wegens coronacrisis
In deze zaak gaat het om een hoger beroep in kort geding tegen een vonnis van de kantonrechter dat de ontruiming van een woonboot en ligplaats uitvoerbaar bij voorraad verklaarde. De huurders vorderden schorsing van de tenuitvoerlegging totdat het hoger beroep is beslist, stellende dat de uitvoerbaarverklaring onvoldoende gemotiveerd was.
De kantonrechter wees de schorsingsvordering af, stellende dat de belangenafweging impliciet was gemaakt en dat er geen nieuwe feiten waren die schorsing rechtvaardigen. Het hof oordeelde echter dat uit het bodemvonnis onvoldoende blijkt dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad gemotiveerd is, zoals vereist volgens het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019.
Het hof voerde vervolgens zelf een belangenafweging uit, waarbij het uitgangspunt is dat een vonnis uitvoerbaar is, tenzij het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt. De huurders stelden dat zij dreigen te worden dakloos en dat vanwege gezondheidsproblemen en de coronacrisis tijdelijke ontruiming problematisch is. De verhuurders willen hun eigendom gebruiken en de woonboot slopen.
Het hof achtte het belang van de huurders bij behoud van de woonboot gedurende zes maanden zwaarder, mede gezien de coronasituatie en de gezondheid van een huurder. Daarom werd de tenuitvoerlegging geschorst voor zes maanden. De overige onderdelen van het vonnis werden bekrachtigd en partijen dragen ieder hun eigen kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt geschorst voor zes maanden.