Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Wettelijk kader
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, met Pakistaanse nationaliteit, verbleef in 2015 in Nederland maar had geen rechtmatig verblijf na afwijzing van haar verlengingsaanvraag door de IND in 2014. Zij diende een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen in met nihil inkomen en claimde de algemene heffingskorting inclusief het premiedeel.
De inspecteur legde een aanslag op waarbij de heffingskorting werd beperkt tot het inkomensdeel van €269, omdat belanghebbende niet premieplichtig was voor de volksverzekeringen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden, het recht op premiedeel van de heffingskorting vervalt indien het rechtmatig verblijf is geëindigd en geen voortgezette toelating is verleend. De door belanghebbende aangevoerde argumenten konden dit niet wijzigen.
De berekening van de heffingskorting was correct toegepast volgens de relevante artikelen van de Wet IB 2001. Het hof wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder kostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag met beperkte heffingskorting wordt bevestigd.