ECLI:NL:GHAMS:2020:381

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2020
Publicatiedatum
13 februari 2020
Zaaknummer
18/00182
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:10 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar inkomstenbelasting 2011 wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting 2011 die op 12 december 2014 was opgelegd. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hoger beroep bevestigde dit oordeel.

Belanghebbende stelde dat hij het aanslagbiljet niet had ontvangen en dat eerdere brieven als bezwaar konden worden aangemerkt. Het hof oordeelde dat het aanslagbiljet naar het juiste adres was verzonden en dat eerdere brieven niet als tijdig bezwaar konden worden beschouwd. Ook werd overwogen dat belanghebbende door aanmaningen en een dwangbevel in 2015 voldoende kennis had van de aanslag.

Het hof stelde vast dat er geen feiten of omstandigheden waren die de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonden. Het bezwaar was derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 18/00182
28 januari 2020
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: R. Erdem),
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/2701 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 12 december 2014 aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.021.
1.2.
Na tegen de hiervoor vermelde aanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 20 april 2017, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en dat verzoek bij beschikking, eveneens gedagtekend 20 april 2017, afgewezen.
1.3.
Bij uitspraak van 1 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 10 april 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020. Aldaar zijn verschenen namens de inspecteur M. El-Harraoui en J.H. van Wier. Van de zijde van belanghebbende, die voor de zitting is uitgenodigd bij aangetekende brief met dagtekening 27 november 2019 verzonden naar het adres van zijn gemachtigde ( [...] te [...] ), is niemand verschenen. Blijkens gegevens van PostNL (‘Track & Trace’) is de brief op 28 november 2019 bezorgd op voormeld adres en is voor de ontvangst getekend. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met de uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Feiten
1. Eiser heeft op 25 maart 2013 zijn aangifte ib/pvv 2011 ingediend. Bij brief van 10 november 2014 heeft verweerder eiser medegedeeld voornemens te zijn af te wijken van de aangifte. Verweerder heeft eiser daarbij in de gelegenheid gesteld vóór 20 november 2014 te reageren als hij het niet eens is met dit voornemen. Bij brief van 18 november 2014 heeft eiser bezwaar aangetekend tegen het voornemen af te wijken van de aangifte. De definitieve aanslag ib/pvv 2011 heeft als dagtekening 12 december 2014 en is opgelegd overeenkomstig het voornemen.
2. In het dossier bevinden zich voorts brieven van eiser gedagtekend 18 december 2015, 16 augustus 2016, 21 oktober 2016 en 8 februari 2017.”
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe.
2.2.
In het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank staat onder meer het volgende vermeld:

Eiser:(…) De aanslag van 12 december 2014 heb ik ontvangen. Het origineel van de aanslag heb ik niet. Ik heb een duplicaat van de aanslag opgevraagd. Dat heb ik in 2015 gedaan. Ik weet niet precies wanneer. Daarna heb ik vrij snel bezwaar gemaakt.
Verweerder:ik heb geen informatie wanneer het duplicaat zou zijn opgevraagd. Ik weet ook niet hoe de verzending van het origineel van de aanslag heeft plaatsgevonden, anders dan dat ik ervan uitga dat dit op reguliere wijze in bulk heeft plaatsgevonden. (…)
Naar aanleiding van de aanslag van 12 december 2014 is op 10 februari 2015 een aanmaning verzonden met als dagtekening 17 februari 2015. Op 11 maart 2015 is het dwangbevel betekend. Dus ruim vóór 18 december 2015 wist eiser van de aanslag.
Op 30 januari 2017 heeft er een kasbetaling plaatsgevonden op de aanslag. Niet is na te gaan of dit ook daadwerkelijk om een kasbetaling ging. (…) Het kan ook een verrekening zijn geweest.
Eiser:ik heb geen betaling gedaan. De brief van 8 februari 2017 is gericht tegen de aanslag zelf. (…) De brief van 8 februari 2017 is ook gericht tegen de mededeling inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van 7 februari 2017 dat ik nog € 1.049 moet betalen. Ik heb het duplicaat van de aanslag in 2015 opgevraagd. (…) Ik moet toegeven dat ik niet altijd zorgvuldig ben geweest in het onderscheid wanneer het ging over mij of mijn partner. Ik heb het opgevat als dat het ging om mijn gezin. Ik heb het dus vaak als één geheel opgevat.”

3.Geschil in hoger beroep

3.1.
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil het antwoord op de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
3.2.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hij daaraan ter zitting heeft toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4.Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf
4.1.
Belanghebbende’s verzoeken van 26 december 2019 en 2 januari 2020 om de zitting van 7 januari 2020 uit te stellen zijn niet gehonoreerd door het Hof. De in het uitstelverzoek van 26 december 2019 vermelde reden (de gemachtigde verblijft tot 22 december 2019 in het buitenland en heeft “
amper de tijd om met [belanghebbende] de stukken door te nemen en voor te bereiden voor de zitting”) wordt door het Hof niet zodanig dringend geacht dat het verzoek is toegewezen; dit in het licht van de afweging van het belang van belanghebbende bij uitstel, tegen het belang van de voortgang van de zaak. Ook heeft het Hof meegewogen de omstandigheden dat uit de uitstelverzoeken niet volgt dat de gemachtigde van belanghebbende verhinderd is te verschijnen op de zitting van 7 januari 2020, dat het een relatief klein dossier betreft, de uitspraak van de rechtbank van 6 juli 2018 dateert en twee eerdere uitstelverzoeken van belanghebbende zijn gehonoreerd. Voorts is de uitnodiging voor de zitting voor ontvangst getekend (zie 1.5). Dat de gemachtigde van belanghebbende, voor zover hij dat aan de orde wilt stellen, de uitnodiging niet in persoon in ontvangst heeft genomen, leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat uit zijn brief van 26 december 2019 blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de uitnodiging.
Ontvankelijkheid bezwaar
4.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Aan dit oordeel heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd:
“7. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt in afwijking van artikel 6:8 van Pro de Awb de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
8. Eiser stelt dat hij reeds bij brieven van 18 november 2014, 18 december 2015, 16 augustus 2016 en 21 oktober 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag.
9. De brief van eiser van 18 november 2014 is gelet op de dagtekening en de inhoud een reactie op het hiervoor onder 1 genoemde voornemen tot afwijken van de aangifte en kan daarom niet als bezwaarschrift tegen de aanslag worden aangemerkt. Bovendien was op 18 november 2014 de aanslag nog niet tot stand gekomen en kon eiser redelijkerwijs niet menen dat dit wel reeds het geval was, aangezien de mogelijkheid om op het voornemen te reageren juist is bedoeld om verweerder ervan te overtuigen de aanslag niet overeenkomstig het voornemen op te leggen. De brief van 18 november 2014 kan derhalve ook niet als voortijdig bezwaar als bedoeld in artikel 6:10 van Pro de Awb worden aangemerkt.
10. Ten aanzien van de brieven van eiser van 18 december 2015, 16 augustus 2016 en
21 oktober 2016 stelt de rechtbank dat vast dat deze brieven alle het aanslagnummer van de aan eisers echtgenote opgelegde aanslag ib/pvv 2011 ( [...] ) vermelden en daarom niet als bezwaar tegen de aan eiser opgelegde aanslag ib/pvv 2011 zijn aan te merken.
11. De brief van eiser van 8 februari 2017, door verweerder ontvangen op 15 maart 2017, houdt in dat eiser bezwaar maakt tegen de aanslag met nummer [...] . Ook als eiser wordt gevolgd in zin stelling dat hij pas van die aanslag kennis heeft genomen nadat verweerder hem in 2015 op zijn verzoek een duplicaat had toegezonden, is het bezwaar buiten de hiervoor onder 7 genoemde termijn van zes weken en dus te laat ingediend.
12. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Eiser heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld die de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar maken. Dat eiser vanaf 2005 veel correspondeert met de Belastingdienst maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Dit betekent dat verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.
13. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.”
4.3.
Bij de beantwoording van de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, heeft de rechtbank het juiste toetsingskader gehanteerd (zie r.o. 7 van de uitspraak van de rechtbank). Van dat toetsingskader gaat ook het Hof uit. Voor zover belanghebbende in hoger beroep heeft willen stellen dat hij bij brieven van 18 november 2014, 18 december 2015, 16 augustus 2016 en 21 oktober 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige aanslag, verenigt het Hof zich met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen en geoordeeld in de onderdelen 8 tot en met 10 van haar uitspraak en maakt deze overwegingen tot de zijne. Hetgeen van de zijde van belanghebbende in hoger beroep is aangevoerd werpt in dat kader geen nieuw of ander licht op de zaak.
4.4.
Voorts stelt belanghebbende (ook in hoger beroep) dat hij de onder 1.1 vermelde aanslag niet heeft ontvangen. De post komt vaak niet goed bij hem aan stelt belanghebbende (hij brengt daartoe naar voren “post nl laat ook veel steekjes [vallen], omdat er vaak nieuwe postbode de post bezorgd”) waarvan hij niet de dupe mag worden, aldus belanghebbende.
4.5.
De inspecteur is met de rechtbank van mening dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
4.6.
Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift vangt (op grond van het bepaalde in art. 6:8 Awb Pro) aan met ingang van de dag na die waarop het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Hetgeen in het onderhavige geschied is door toezending van het aanslagbiljet (art. 3:41 Awb Pro). Van de zijde van belanghebbende is niet betwist dat het aanslagbiljet (d.d. vrijdag 12 december 2014) naar het juiste adres is verzonden. Het Hof heeft ook geen reden om daaraan te twijfelen, zodat geconcludeerd kan worden dat het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Alsdan is de hiervoor bedoelde termijn aangevangen met ingang van de dag na de bekendmaking (derhalve op 13 december 2014) en is de brief van belanghebbende van 8 februari 2017 na afloop van de bezwaartermijn ingediend.
4.7.
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (art. 6:11 Awb Pro; zie ook r.o. 12 van de uitspraak van de rechtbank).
4.8.
In dit verband acht het Hof van belang dat de inspecteur onweersproken ter zitting van de rechtbank heeft gesteld dat belanghebbende onder andere als gevolg van de op 10 februari 2015 toegezonden aanmaning en het op 11 maart 2015 betekende dwangbevel, ruim vóór 18 december 2015 van de litigieuze aanslag wist.
Dit betekent - mede gelet op de rechtsoverweging 11 van de rechtbank dat belanghebbende in ieder geval in 2015 door toezending van een duplicaat kennis heeft genomen van de aanslag - dat ook indien het Hof er veronderstellenderwijs van uitgaat (zoals belanghebbende heeft gesteld) dat belanghebbende het op 13 december 2014 toegezonden aanslagbiljet als gevolg van aan PostNL te wijten omstandigheden destijds niet heeft ontvangen, niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift (d.d. 8 februari 2017) immers niet ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd nadat hij in 2015 kennis heeft genomen van de onderhavige aanslag (vgl. HR 22 januari 2010, nr. 09/00526, ECLI:NL:HR:2010:BL0078 en vgl. HR 22 maart 2002, nr. 36933, ECLI:NL:HR:2002:AE0462).
4.9.
Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Slotsom
4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5.Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier.
De beslissing is op 28 januari 2020 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.