Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
4. De uitkeringstermijn eindigt (…):
Gerechtshof Amsterdam
Het geschil betreft de verjaring van aanspraken uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering die appellant sinds 1994 bij Klaverblad heeft. Appellant meldde zich op 2 oktober 2012 arbeidsongeschikt en kreeg een uitkering toegekend die per 19 november 2013 werd beëindigd. Appellant vorderde later alsnog betaling van uitkeringen na die datum.
De rechtbank oordeelde dat de aanspraken verjaard waren en wees de vordering af. Appellant stelde dat iedere maandelijkse uitkering een zelfstandige vordering is met een eigen verjaringstermijn, en dat de aanspraken na 12 juni 2014 niet verjaard waren. Het hof volgde dit niet en maakte onderscheid tussen het ontstaan van de aanspraak bij arbeidsongeschiktheid (art. 7:942 lid 1 BW Pro) en de periodieke betaling (art. 3:308 BW Pro).
Het hof stelde dat de aanspraak op uitkering opeisbaar wordt bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid en dat de verjaringstermijn van drie jaar daarop begint. Omdat de uitkering per 19 november 2013 werd beëindigd, was de aanspraak op latere betalingen verjaard toen appellant in 2017 alsnog betaling vorderde.
Appellant voerde ook aan dat Klaverblad onredelijk handelde door niet te verwijzen naar het Kifid, maar het hof oordeelde dat dit verzuim onvoldoende was om de verjaring buiten toepassing te laten. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de aanspraken op uitkering vanaf 2 oktober 2012 verjaard.