Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende verzocht de inspecteur om ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2014 en herziening van de voorlopige aanslag 2015 vanwege specifieke zorgkosten. De inspecteur wees deze verzoeken af, waarop belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond omdat belanghebbende geen betalingsbewijzen of specificaties van zorgverzekeringsvergoedingen had overgelegd.
In hoger beroep bevestigde het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de uitgaven daadwerkelijk op hem drukten en voldeden aan de voorwaarden voor aftrek volgens artikel 6.17 Wet IB 2001. Ook nieuwe medische stukken brachten geen ander licht op de zaak. De eigen bijdrage aan het CAK werd expliciet uitgesloten van aftrek.
Het Hof oordeelde dat de bestreden aanslagen terecht zijn vastgesteld en verklaarde de hoger beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 19 maart 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen worden bevestigd.