Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 21 629
af € 21 629
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015 omdat hij meende recht te hebben op verliesverrekening van €532.261 uit voorgaande jaren. De inspecteur handhaafde de aanslag, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep bevestigde het hof deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de kwalificatie van een beschikking van 16 december 2015. Belanghebbende stelde dat deze een verliesvaststellingsbeschikking was, waardoor de verliezen herleefden. Het hof oordeelde dat het een verliesverrekeningsbeschikking betrof, waarbij de verliezen uit eerdere jaren al waren verrekend tot en met 2013 en daarna waren verdampt.
Het hof overwoog dat de wettelijke termijnen voor verliesverrekening waren verstreken en dat de beschikking niet leidde tot herleving van de verliezen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen bewuste standpuntbepaling van de inspecteur was gegeven en eerdere uitspraken duidelijk maakten dat geen verrekenbare verliezen meer bestonden.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hof veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.