De zaak betreft hoger beroep tegen een eerdere veroordeling van verdachte wegens lasterlijke uitlatingen in brieven gericht aan diverse ontvangers, waaronder hooggeplaatste functionarissen en een bedrijf. Na eerdere vonnissen en cassatie door de Hoge Raad werd de zaak terugverwezen naar het gerechtshof Amsterdam.
Het hof onderzocht of verdachte met het verspreiden van de brieven het kennelijke doel had om ruchtbaarheid te geven aan de beschuldigingen. De brieven waren gericht aan personen die hun ambt met discretie uitoefenen, zoals de Amerikaanse ambassadeur en de minister van Buitenlandse Zaken, en aan een bedrijf dat financiële ondersteuning verleent. Het hof oordeelde dat geen sprake was van een kennelijk doel om de brieven verder te verspreiden.
De verdediging stelde dat de brieven vertrouwelijk zouden blijven, wat het hof onderschreef. De advocaat-generaal voerde aan dat de brieven wel bedoeld waren voor verdere verspreiding, maar het hof verwierp dit standpunt. De verdachte werd vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend was bewezen dat hij met kennelijk doel ruchtbaarheid had gegeven aan de lasterlijke uitlatingen.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De beslissing bevestigt het belang van het vereiste van kennelijk doel ruchtbaarheid bij lasterlijke uitlatingen.