Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
6.De beslissing
n de zaak met zaaknummer 200.263.353/01:
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat het verzoek van de moeder centraal om het gezag over haar minderjarige dochter te verkrijgen en een omgangsregeling te treffen waarbij de dochter meer tijd bij haar kan doorbrengen. De minderjarige is sinds oktober 2018 geplaatst in een pleeggezin vanwege zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, die minderjarig was bij de geboorte en kampt met persoonlijke problematiek zoals borderline.
De rechtbank had een opbouwende omgangsregeling vastgesteld met het oog op terugplaatsing bij de moeder, maar de gecertificeerde instelling (GI) en het hof zijn van oordeel dat dit niet in het belang van de minderjarige is. Het kind vertoont ernstige gedragsproblemen en stressreacties bij toenemende omgang, wat duidt op een kwetsbare situatie die vraagt om een stabiele opvoedomgeving.
Het hof oordeelt dat de moeder onvoldoende stabiel en beschikbaar is als opvoeder en onvoldoende gebruikmaakt van hulpverlening. De omgangsregeling van de rechtbank wordt daarom vernietigd en de eerdere begeleide omgang van anderhalf uur per week blijft van kracht. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere afdoening, waarbij het gezagsverzoek nog niet is beslist.
Het hof wijst tevens het verzoek van de GI af om de minderjarige in het pleeggezin te laten verblijven, omdat dit onder haar voogdij valt. Het verzoek tot schorsing van de beschikking wordt eveneens afgewezen. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam op 3 september 2019.
Uitkomst: De omgangsregeling van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.