ECLI:NL:GHAMS:2018:4054
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van belediging ambtenaar met middelvinger
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor het beledigen van een ambtenaar door het opsteken van de middelvinger. De tenlastelegging betrof een incident op 6 september 2017 waarbij verdachte een handhavingambtenaar beledigd zou hebben.
De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van twee weken waarvan twaalf dagen voorwaardelijk, gebaseerd op het proces-verbaal van aanhouding en de verklaring van verdachte dat hij op de plaats van het delict was. De raadsman voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat het gebaar van verdachte niet als beledigend kon worden opgevat.
Het hof oordeelde dat het proces-verbaal van aanhouding het enige bewijsmiddel was en dat verdachte het ten laste gelegde gemotiveerd ontkende. De verklaring van de verbalisant, tegen wie het feit zou zijn gepleegd, stond alleen in het dossier zonder aanvullende verklaringen van andere aanwezigen. Het hof was onvoldoende overtuigd van de betrouwbaarheid van het proces-verbaal en sprak verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door verdachte integraal vrij te spreken van het ten laste gelegde.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij een ambtenaar heeft beledigd met de middelvinger.