In deze zaak gaat het om zes effectenleaseovereenkomsten die tussen 1998 en 2001 zijn aangegaan. De kantonrechter had eerder vier overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Dexia stelde in hoger beroep dat de vernietigingsvordering was verjaard, wat het hof echter verwierp na beoordeling van bewijs en getuigenverklaringen.
Het hof oordeelde dat de vermeende schade voortkomt uit de eigen keuze van de geïntimeerde om de aandelen af te nemen en de daarmee samenhangende waardeschommelingen, en niet uit het aangaan van de leaseovereenkomsten zelf. Hierdoor werd een deel van de schadevergoeding verminderd.
Verder werd geoordeeld dat de wettelijke rente over de leasetermijnen verschuldigd is vanaf de datum van vooruitbetaling. Het hof vernietigde het eindvonnis voor zover het dictum onder IV betreft en veroordeelde Dexia tot betaling van een aangepast bedrag met rente, terwijl de overige onderdelen van het vonnis werden bekrachtigd. De kosten van hoger beroep werden gecompenseerd.