Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
(25% x € 33.885) x 52% (= LB-tarief) = € 4.405;
3.Geschil in hoger beroep
Belanghebbende stelt daarentegen dat geen bedrag dient te worden bijgeteld, omdat de 500 kilometergrens niet is overschreden
4.Het oordeel van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil
tezamenminder dan 500 kilometer is. Daaraan doet - aldus de inspecteur - niet af dat één van de auto’s een 0%-auto is. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst de inspecteur op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3332. Voorts betoogt hij dat het voordeel wegens privégebruik van een auto voor 0%-auto’s weliswaar in de praktijk uitkomt op een bijtelling van nihil, maar dat een andere uitkomst ook mogelijk is. Het voordeel wordt gevormd door het saldo van enerzijds een bijtelling en anderzijds een vermindering. Deze vermindering is doorgaans gelijk aan de bijtelling, maar de mogelijkheid bestaat, dat de bijtelling op een hoger bedrag gesteld wordt. Artikel 13bis, lid 1, eerste volzin, Wet LB bepaalt immers dat het voordeel wordt gesteld op “ten minste” het in dat artikel genoemde percentage, maar sluit een hoger bedrag (bij extreem intensief privé- gebruik) niet uit. In zoverre is het onjuist om te spreken van een bijtelling van nul procent.
- verlaging forfaitaire bijtelling privégebruik voor nulemissieauto’s naar 0% in 2010 en 2011 en 7% in 2012, 2013 en 2014;
- verlenging BPM-vrijstelling voor nulemissieauto’s tot 2018.
Het privégebruik van de [auto 1] was immers - ook tijdsevenredig gezien - minder dan 500 kilometer.