Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
de toetsing aan beide grondrechtenin één keer dient plaats te vinden. Dat is een juist uitgangspunt. Ook op dit onderdeel faalt de grief.
Gerechtshof Amsterdam
Dopper B.V., een social enterprise die herbruikbare flessen produceert, vorderde in kort geding een verbod tegen [X], exploitant van een concurrerend bedrijf, die via Twitter en e-mail beschuldigingen van plagiaat en oneerlijke ontwerpwedstrijd jegens Dopper uitte. De voorzieningenrechter verbood deze uitingen en legde een dwangsom op.
In hoger beroep stelde [X] dat zijn uitingen binnen de vrijheid van meningsuiting vielen en voldoende steun vonden in feitenmateriaal. Het hof overwoog dat de vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van de goede naam van Dopper tegen elkaar afgewogen moeten worden. Het hof concludeerde dat de beschuldigingen van plagiaat en oneerlijke ontwerpwedstrijd onvoldoende feitelijke onderbouwing hadden en in stellige, diffamerende bewoordingen waren geuit.
Het hof bevestigde het publicatieverbod, maar verwijderde de zinsnede dat uitingen alleen verboden zijn zonder verwijzing naar een vaststelling in rechte, omdat wijziging in rechte mogelijk is. [X] werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest benadrukt de zorgvuldigheid die van een concurrerende ondernemer wordt verlangd bij publieke uitingen over een concurrent.
Uitkomst: Het hof bevestigt het publicatieverbod tegen [X] wegens onrechtmatige uitlatingen over Dopper, met aanpassing van de formulering van het verbod.