Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
gemachtigde: mr. E.E. Troll (Allen & Overy te Amsterdam)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
1-1-2013 en leidingen (elektriciteit)””
RegelingBurgemeester en Wethouders der gemeente Haarlemmermeer (…) enerzijds en de directie van [B 2] anderzijds, zijn ter regeling van de verhouding tusschen de Gemeente en [B 2] , onverminderd hetgeen bij of krachtens wettelijke regeling, de aan de Provincie Noordholland verleende Rijksconcessie of bij bijzondere overeenkomsten dienaangaande is of zal worden bepaald, het navolgende overeengekomen omtrent de wijze, waarop het electriciteitsbedrijf in de gemeente Haarlemmermeer zal worden geëxploiteerd.
Artikel 1[B 2] is gerechtigd, om de op den datum van het onderteekenen dezer regeling in, op of over de wegen, straten, pleinen, wateren en andere eigendommen, toebehoorende aan of staande onder beheer van de gemeente Haarlemmermeer aanwezige electriciteitswerken, werken voor telefonische gemeenschap daaronder begrepen, daarin, daarop of daarover te hebben, in stand te houden, te vernieuwen en daarvan of daaruit te verwijderen en na gehouden overleg met en volgens aanwijzing van B. en W. de door [B 2] gewenschte nieuwe werken daarin, daarop of daarover, aan te leggen, te hebben, in stand te houden en te vernieuwen en daarvan of daaruit te verwijderen, zonder dat daarvoor eenige andere vergoeding verschuldigd zal zijn, dan die, bedoeld in de volgende alinea en in artikel 3 van Pro deze regeling.
Artikel 7Deze regeling eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de aan de Provincie verleende Rijksconcessie ingetrokken of vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt, of waarop zij in dien zin wordt gewijzigd, dat het gebied der Gemeente aan het concessiegebied der Provincie wordt onttrokken. (…).”
3.3. Geschil in hoger beroep
- is de aanslag in strijd met de Regeling, meer in het bijzonder: is de Regeling nog geldend
en – zo ja – verzet de Regeling zich tegen het heffen van precariobelasting van
belanghebbende;
gemeentelijke verordening;
- zijn bij het opleggen van de aanslag en het doen van uitspraak op bezwaar de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, en
- had voor de bezwaarfase een kostenvergoeding moeten worden toegekend?
4.Beoordeling van het geschil
Voor de distributie van energie (waaronder elektriciteit) werd een wettelijke regeling getroffen met de Wet Energiedistributie.
Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 11)
Met de betrokken concessionarissen zal overleg worden gevoerd in hoeverre er behoefte bestaat aan handhaving van de rijksconcessies met betrekking tot die onderwerpen die niet in het onderhavig wetsvoorstel geregeld worden, bijvoorbeeld de toepassing van de Belemmeringenwetten bij de aanleg van hoogspanningverbindingen met een spanning van minder dan 220 kV.
Onderdeel 2: overzicht bestaande regelingen
eerste lid,worden de provinciale staten en de gemeenteraad onbevoegd verklaard tot het stellen van regels voor de distributie van elektriciteit, gas en warmte in het belang van de energievoorziening. Nu de bevoegdheid tot distributie wettelijk wordt geregeld is het onnodig en ongewenst dat lagere overheden nog de bevoegdheid hebben in het
het wenselijk maakt het verbod voor lagere overheden om regels te stellen aan de distributie te handhaven. Met betrekking tot de toepassing van de Belemmeringenwetten geldt dat ingevolge artikel 28 de Pro op grond van provinciale en gemeentelijke verordeningen verleende
Deze wettelijke regeling – men spreekt in dit verband ook wel van een vergunningenstelsel – kwam in de plaats van ‘allerlei formele en informele regelingen’ die vóór 1989 golden en waartoe, naar het Hof begrijpt, ook de rijksconcessies moeten worden gerekend, vergelijk Handelingen II, 10 november 1988, TK 22, p. 1151 rk. Voor de lokale overheden is in het kader van de (nieuwe) wettelijke regeling op het terrein van de (grootschalige) productie van elektriciteit en de distributie van energie geen rol meer weggelegd. Daarmee is aan de in het begin van de twintigste eeuw door de rijksoverheid verleende rijksconcessies functie en betekenis komen te ontvallen. Zie in dit verband ook: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juni 1998, nr. H01970074/ Q01, ECLI:NL: RVS:1998: AN5671, AB 1998, 261, met noot van M. Schreuder-Vlasblom, alsmede D.L.M.T. Dankers-Hagenaars, Op het spoor van de concessie, diss., Boom Juridische uitgevers, 2000, p. 49.
4.1.3.9. De vraag is nu wat de invoering van de Electriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistributie betekent voor de Rijksconcessie die in de Regeling is vermeld. Of deze concessie, met de inhoud waarvan partijen niet bekend zijn, formeel op enig moment is ingetrokken is niet duidelijk. Wel blijkt uit artikel 7 van Pro de Regeling dat deze ‘van rechtswege eindigt’ op het tijdstip waarop de Rijksconcessie ‘ingetrokken of vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt’. Op grond van deze ruime formulering, bezien ook tegen de achtergrond van de reeds ten tijde van de totstandkoming van de Regeling bestaande onduidelijkheid omtrent de wettelijke grondslag van een rijksconcessie, acht het Hof het aannemelijk dat het bij de totstandkoming van de Regeling de bedoeling is geweest van B&W en [B 2] om deze niet meer te laten gelden indien de Rijksconcessie geen functie of betekenis meer heeft, ongeacht de vraag of het tot een formele intrekking van die concessie is gekomen.
Het hiervoor overwogene brengt het Hof tot de conclusie dat de Regeling in het onderhavige jaar geen gelding meer heeft, zodat de Regeling niet aan de in geschil zijnde heffing van precariobelasting in de weg kan staan. Voor het geval hierover anders zou moeten worden geoordeeld, overweegt het Hof als volgt over de vraag of belanghebbende rechten kan ontlenen aan de Regeling.
(…)
a. voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden (…) een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen.”
Een overgang van rechten (uit hoofde van overeenkomsten) die aan [A] toekomen volgt ook niet uit de wet Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer, Wet van 1 juli 2004, Stb. 2004, 328 ( hierna I&I-wet), welke heeft geleid tot de invoering van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998. De (eventuele) overgang van iets méér of anders dan de economische eigendom van het netwerk op de netwerkbeheerder is met de invoering van artikel 10a Elektriciteitswet 1998 niet geregeld of beoogd (verg. Kamerstukken II 2003/04, 29372, nr. 3, p. 33).
Van schending van het fair play beginsel is volgens de heffingsambtenaar geen sprake, omdat belanghebbende als netbeheerder en economisch eigenaar degene is ten behoeve van wie de leidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. Als zodanig heeft zij een rechtstreeks belang bij het netwerk. Zij is degene die naar buiten treedt en heeft het grootste belang.
Gelet hierop berust de stelling dat het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zouden zijn geschonden, niet op (voldoende) feitelijke grondslag. Een en ander nog daargelaten dat een schending van deze beginselen bij rechterlijke toetsing van een gebonden beschikking (zoals een aanslag precariobelasting) niet, althans niet zonder meer, kan leiden tot een wijziging van die beschikking.
Slotsom
.