Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Loop van het geding na verwijzing
3.Feiten
4.Het verwijzingsarrest
5.Geschil na verwijzing
6.Beoordeling van het geschil
nietin de onderhavige correctie zijn betrokken;
Gerechtshof Amsterdam
Na verwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Amsterdam beoordeeld of de auto’s die op de inkoopfacturen staan vermeld, daadwerkelijk aan de BV zijn geleverd in de zin van artikel 3 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968. Het Hof concludeert dat de constructie rond de leveringen een kunstmatige is en niet overeenkomt met de economische realiteit. De BV trad slechts op als financier en verrichtte administratief dienstbetoon, zonder feitelijke of juridische beschikking over de auto’s.
De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de BV geen handels- of debiteurenrisico liep en dat de auto’s niet op naam van de BV stonden. Ook was er geen contact tussen de BV en de leverancier [B] of de afnemers. De BV heeft de voorbelasting op de facturen ten onrechte afgetrokken. Het Hof verwierp ook het standpunt dat sprake zou zijn van een ABC-levering of dat de BV als commissionair handelde.
De naheffingsaanslag omzetbelasting is daarom terecht opgelegd. De opvolgende leveringen door de BV aan derden zijn eveneens geen leveringen in de zin van de Wet, maar de omzetbelasting daarop is wel verschuldigd. Het Hof ziet geen aanleiding om in te gaan op het subsidiaire verweer van de BV over het ontbreken van wetenschap van fraude in de keten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting is terecht opgelegd omdat de auto’s niet aan de BV zijn geleverd.