Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.2. Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
De Hoge Raad heeft hieromtrent het volgende overwogen in genoemd arrest:
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende maakte in haar aangifte inkomstenbelasting 2011 aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van haar kinderen. De inspecteur legde een aanslag op zonder deze aftrek te erkennen en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank vernietigde deze beslissing en handhaafde de aanslag. In hoger beroep stond centraal of het volgen van de aangiften in 2010 en 2012 door de inspecteur een in rechte te beschermen vertrouwen wekte dat ook voor 2011 aftrek zou worden toegestaan.
Het hof oordeelde dat voor het beroep op het vertrouwensbeginsel meer vereist is dan het enkele feit dat de inspecteur de aangiften van voorgaande jaren heeft gevolgd. Er moet sprake zijn van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur, bijvoorbeeld door uitdrukkelijke en gemotiveerde behandeling van de aftrekpost of correspondentie hierover. Dit was niet het geval; de aangiften 2010 en 2012 waren geautomatiseerd afgedaan zonder inhoudelijke toetsing.
Daarbij kwam dat de aftrekbaarheid van de uitgaven voor 2011 onderwerp was van geschil en dat geen bijkomende omstandigheden bestonden die het vertrouwen konden rechtvaardigen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde daarom. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en wijst het hoger beroep af.