ECLI:NL:GHAMS:2016:4484
Gerechtshof Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schadevergoeding voor onterechte voorlopige hechtenis wegens afpersing
Verzoeker werd op 14 december 2004 in verzekering gesteld op verdenking van afpersing en op 16 december 2004 heengezonden. De strafzaak eindigde zonder oplegging van straf of maatregel en het arrest is onherroepelijk geworden.
Het verzoek tot schadevergoeding van €750 wegens de ondergane verzekering werd beoordeeld aan de hand van artikel 90 Sv Pro en de jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hof overwoog dat de verdenking voortkwam uit afgeluisterde telefoongesprekken waarin verzoeker en een ander dreigende taal gebruikten richting een schuldenaar.
Verzoeker had verklaard dat hij met een forse medeverdachte bij de schuldenaar was geweest om betaling te eisen en dat zij dreigden met het weghalen van inboedel. Hierdoor was de voorlopige hechtenis grotendeels aan zijn eigen gedragingen te wijten.
Gezien deze belastende omstandigheden en het feit dat de strafzaak zonder strafoplegging eindigde, oordeelde het hof dat er geen billijkheidsgrond was voor vergoeding van de schade door de Staat. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis wordt afgewezen omdat de hechtenis grotendeels aan verzoekers eigen gedragingen te wijten is.