Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Feiten
3.Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, werkzaam als wijkziekenverzorgende, kreeg een VAR-wuo die door de inspecteur werd herzien naar een VAR-loon voor de periode van 15 oktober tot 1 december 2013. De rechtbank oordeelde dat de herziening terecht was vanwege het ontbreken van zelfstandigheid en ondernemersrisico, maar stelde vast dat de hoorplicht was geschonden. Belanghebbende stelde dat hij ondernemerschap voerde en dat de herziening onterecht was.
In hoger beroep bevestigde het Hof dat belanghebbende niet voldeed aan de criteria voor ondernemerschap, mede omdat hij slechts contracten via Stichting B had en geen ondernemersrisico liep. Ook werd vastgesteld dat de inspecteur premies werknemersverzekeringen had ingehouden, wat het ontbreken van ondernemerschap ondersteunt. De hoorplicht werd erkend als geschonden omdat belanghebbende niet adequaat de gelegenheid was geboden om gehoord te worden.
Het Hof verklaarde het hoger beroep van belanghebbende ongegrond, omdat de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar terecht was. Het incidenteel hoger beroep van de inspecteur werd eveneens ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarbij de schending van de hoorplicht geen gevolgen had voor de rechtmatigheid van de herziening.
Uitkomst: De herziening van de VAR-wuo naar een VAR-loon wordt bevestigd, ondanks schending van de hoorplicht.