ECLI:NL:GHAMS:2016:2635
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende, een bedrijf dat handelt in voertuigen, kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd wegens extra opties en accessoires die de inspecteur had vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende een schadevergoeding van €1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep stond centraal of het voertuig een 2.0 TFSI Pro Line S-uitvoering betrof of een 2.0 TFSI uitvoering, wat bepalend was voor de catalogusprijs en de hoogte van de BPM. Het hof onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het een 2.0 TFSI uitvoering betrof en bevestigde de naheffingsaanslag.
Daarnaast werd de omvang van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn betwist. Het hof oordeelde dat de Belastingdienst ten onrechte het bezwaar had aangehouden in het kader van massale bezwaarprocedures voor gebruikte auto's, wat voor rekening van de inspecteur komt. Het hof verhoogde de immateriële schadevergoeding naar €2.500, waarvan €1.500 voor rekening van de inspecteur en €1.000 voor de Minister van Veiligheid en Justitie.
Het hof veroordeelde bovendien de inspecteur en de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de naheffingsaanslag en kent een hogere immateriële schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding.