Uitspraak
1.[appellant sub 1] ,
[appellant sub 2],
STICHTING DE ALLIANTIE,
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten stelden hoger beroep in tegen een vonnis van de kantonrechter en betaalden het griffierecht te laat vanwege ziekte van hun officemanager. Hoewel de comparitie na aanbrengen op 16 april 2014 zonder voorbehoud doorging, was de griffierechtbetaling pas op 20 maart 2014 voldaan, wat te laat was volgens de wettelijke termijn.
Appellanten beriepen zich op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv, stellende dat zij mochten vertrouwen op ontvankelijkheid omdat de comparitie was doorgegaan en de raadsheer-commissaris geen bevestiging gaf dat de griffierechten waren ontvangen. Het hof oordeelde echter dat de te late betaling en de administratieve fouten binnen de risicosfeer van appellanten lagen en dat het doorgaan van de comparitie geen recht gaf op ontvankelijkheid.
De advocaat van appellanten was op de hoogte van de late betaling en kon niet afgaan op de afhoudende reactie van de raadsheer-commissaris. Het hof wees het beroep op de hardheidsclausule af en ontsloeg geïntimeerde van de instantie. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten, zonder extra kosten voor de comparitie na aanbrengen.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt ontslagen van de instantie wegens te late betaling van het griffierecht; appellanten worden veroordeeld in de kosten.