ECLI:NL:GHAMS:2014:1367
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat alle vrachtkosten van expediteur tot douanewaarde behoren
Belanghebbende exploiteert een textielbedrijf en voerde goederen in met douanewaarde gebaseerd op de transactiewaardemethode volgens artikel 29 van Pro het Communautair douanewetboek (CDW). Na een controle na invoer stelde de inspecteur vast dat niet alle vrachtkosten, zoals door de expediteur in rekening gebracht, waren opgenomen in de douanewaarde. De inspecteur legde daarom naheffingen op.
Belanghebbende betwistte dat de volledige door de expediteur gefactureerde kosten, waaronder ook winstopslagen, tot de douanewaarde behoren. De rechtbank oordeelde dat alleen de kosten die betrekking hebben op het vervoer tot de plaats van binnenkomst in de EU, en die daadwerkelijk door belanghebbende zijn betaald, in de douanewaarde moeten worden opgenomen. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst erop dat volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU alle hoofd- en nevenkosten die verband houden met het vervoer, inclusief kosten van de expediteur, tot de douanewaarde behoren.
Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat de overeenkomst met de expediteur civielrechtelijk een expeditieovereenkomst is en geen vervoersovereenkomst, omdat dit niet afdoet aan de douanerechtelijke kwalificatie van de kosten. De naheffingen zijn terecht vastgesteld en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam op 17 april 2014 en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingen van douanerechten bevestigd.