Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, een fiscale eenheid, had de volledige omzetbelasting op de verbouwing van een pand in aftrek gebracht. De verbouwing betrof een woonboerderij die deels werd omgevormd tot kantoorruimte (bedrijfsdoeleinden) en deels tot woonruimte (privégebruik). De inspecteur corrigeerde de aftrek tot 20%, het aandeel bedrijfsgebruik.
De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af en het Hof bevestigde dit oordeel na verwijzing door de Hoge Raad. De Hoge Raad had geoordeeld dat onderzocht moest worden of de verbouwingswerkzaamheden konden worden gesplitst in duurzame aanpassingen die afzonderlijk of tezamen investeringsgoederen vormden, en of het voornemen bestond deze voor bedrijfsdoeleinden te gebruiken.
Het Hof stelde vast dat de stukken, waaronder facturen en bouwtekeningen, onvoldoende inzicht gaven om te bepalen of sprake was van één of meerdere investeringsgoederen. Partijen hadden geen nadere verbijzondering gegeven. Ook slaagde belanghebbende er niet in aannemelijk te maken dat het woongedeelte na verbouwing voor bedrijfsdoeleinden werd gebruikt. Daarom bleef het bij het tussen partijen overeengekomen percentage van 20% aftrek.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag met 20% aftrek wordt bevestigd.