ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1777
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.H. Huijzer
- R.H. de Bock
- J.C. Toorman
- Rechtspraak.nl
Huurbetalingsverplichting na overlijden garantsteller in familierelatie bedrijfsruimte
In deze zaak stond centraal of de huurder, een vennootschap, na het overlijden van haar vader en garantsteller, nog steeds gehouden was tot betaling van huur voor een bedrijfsruimte. De vader had de huurbetalingen steeds voldaan, maar na zijn overlijden ontstond een conflict over de huurverplichting.
De huurovereenkomst was schriftelijk vastgelegd en de huurder voerde aan dat er sprake was van een schijnconstructie en dat de huur niet door haar, maar door haar vader betaald diende te worden. Het hof oordeelde dat de toezegging van de vader om de huur te betalen niet betekent dat de huurder zelf geen betalingsverplichting heeft. Ook de stelling dat de huurovereenkomst was aangegaan om financiering te verkrijgen, maakte de verplichting niet nietig.
De huurder kon onvoldoende aantonen dat de huurvordering was overgedragen aan een derde partij of dat kwijtschelding had plaatsgevonden. Het bewijsaanbod werd afgewezen omdat reeds uitvoerig getuigen waren gehoord. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de huurder tot betaling van de huurachterstand en proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt de huurder tot betaling van de huurachterstand en proceskosten.