ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1701
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op integrale vergoeding proceskosten na teruggaaf omzetbelasting
Belanghebbende verzocht om teruggaaf van € 737.609 aan omzetbelasting over september 2005. De inspecteur verleende een lagere teruggaaf, waarna belanghebbende bezwaar maakte en beroep instelde. Na diverse procedures, waaronder een cassatie en verwijzing door de Hoge Raad, werd uiteindelijk de volledige teruggaaf toegekend.
In het hoger beroep na verwijzing stond centraal of belanghebbende recht had op een integrale vergoeding van de gemaakte proceskosten. Belanghebbende stelde dat de inspecteur een onzorgvuldige en halsstarrige proceshouding had aangenomen, wat een bijzondere omstandigheid zou vormen voor een hogere proceskostenvergoeding.
Het Hof oordeelde dat de inspecteur niet van meet af aan willens en wetens een onterechte weigering had volgehouden en dat er geen sprake was van een verregaand onzorgvuldige proceshouding. Ook na het arrest van de Hoge Raad was de inspecteur niet onzorgvuldig in zijn bejegening. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de forfaitaire proceskostenvergoeding rechtvaardigen.
Het Hof bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, veroordeelde de inspecteur tot een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 2.124 en legde een griffierecht van € 448 op. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Belanghebbende krijgt geen integrale vergoeding van proceskosten; forfaitaire vergoeding wordt bevestigd.