ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6798
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.P.M. van Rijn
- J.P. Kruimel
- J.A. van Horzen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardebepaling woning volgens Wet WOZ ondanks splitsingsverbod
Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van een woning die uit de derde en vierde verdieping van een pand in Amsterdam bestaat en waarop een splitsingsverbod rust. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €577.000, uitgaande van een fictie dat de woning afzonderlijk kan worden verkocht. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze uitspraak. Het hof overwoog dat artikel 17 van Pro de Wet WOZ twee ficties bevat: dat de volle en onbezwaarde eigendom kan worden overgedragen en dat de verkrijger de zaak onmiddellijk en volledig kan gebruiken. Deze ficties gelden ook als splitsing juridisch niet mogelijk is. Het hof verwierp het argument dat rekening gehouden moet worden met het splitsingsverbod, omdat de wetgever dit niet heeft voorzien.
Belanghebbende stelde dat de waardebepaling onredelijk is en strijdig met het gelijkheidsbeginsel, omdat gesplitste woningen meer waard zijn dan ongesplitste. Het hof oordeelde dat het systeem van uniforme waardebepaling voor belastingheffing dit verschil rechtvaardigt en dat de rechter niet mag treden in de billijkheid van de wetgeving.
Het hof wees ook het beroep af dat nieuwe omstandigheden, zoals de afschaffing van de gebruikersbelasting, aanleiding zouden geven tot een andere waardering. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde wordt vastgesteld zonder rekening te houden met het splitsingsverbod.