ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0014
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.D.L. Nuis
- D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel
- P.A.M. Hoek
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid economische kamer bij wijziging tenlastelegging louter commune delicten
In deze zaak stond de vraag centraal of de economische kamer van de rechtbank bevoegd bleef nadat de tenlastelegging was gewijzigd en de economische delicten waren komen te vervallen, waardoor alleen nog commune delicten overbleven. De verdediging voerde een preliminair verweer dat de economische kamer niet bevoegd was om deze louter commune delicten te berechten.
De rechtbank had dit verweer verworpen op grond van de samenhang tussen de strafbare feiten en de wenselijkheid van gezamenlijke berechting, mede gelet op artikel 39 Wet Pro op de economische delicten (WED). Het hof heeft echter de wetsgeschiedenis en de wettelijke bepalingen nader bestudeerd en geoordeeld dat de absolute bevoegdheid van de economische kamer niet strekt tot het berechten van louter commune delicten, ook niet als deze samenhangen met economische delicten die aan medeverdachten worden ten laste gelegd.
Het hof benadrukt dat de regeling van de absolute bevoegdheid strikt is en niet buiten uitdrukkelijke wetsbepalingen kan worden uitgebreid. De wijziging van de tenlastelegging die de economische delicten schrapt, beïnvloedt de bevoegdheid van de rechtbank. De wenselijkheid van gezamenlijke berechting raakt aan de relatieve bevoegdheid, maar niet aan de absolute bevoegdheid die een openbaar ordeaspect betreft.
Daarom vernietigt het hof het vonnis waarvan beroep en verklaart het de economische kamer van de rechtbank Amsterdam onbevoegd tot kennisneming van de louter commune delicten die aan verdachte zijn ten laste gelegd na de wijziging van de tenlastelegging.
Uitkomst: Het hof verklaart de economische kamer van de rechtbank Amsterdam onbevoegd om de louter commune delicten te berechten na wijziging van de tenlastelegging.