ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7321
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.L.G.A. Stille
- M.W.E. Koopmann
- L.J. Saarloos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing kamer gerechtsdeurwaarders over kennelijk ongegronde klacht
Appellanten, bestaande uit een besloten vennootschap en een natuurlijke persoon, dienden een klacht in tegen meerdere gerechtsdeurwaarders bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders. De voorzitter van de kamer wees de klacht op 26 mei 2009 als kennelijk ongegrond af. Appellanten stelden verzet in tegen deze beslissing, maar de kamer verklaarde het verzet op 10 november 2009 ongegrond. Vervolgens werd door appellanten hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam.
Appellanten voerden aan dat de voorzitter ten onrechte de klacht als kennelijk ongegrond had afgewezen, omdat de procedure niet correct was gevolgd en zij niet in de gelegenheid waren gesteld te reageren op het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarders. Het hof overwoog dat de voorzitter op grond van artikel 39 lid 1 Gdw Pro bevoegd is om zonder nader onderzoek kennelijk ongegronde klachten af te wijzen, waarbij het toestaan van een verweerschrift aan de gerechtsdeurwaarder niet in strijd is met deze bevoegdheid.
Het hof benadrukte dat het recht op hoor en wederhoor niet vereist dat appellanten op het verweerschrift mogen reageren, en dat er geen sprake is van schending van fundamentele procesbeginselen. Omdat artikel 39 lid 4 Gdw Pro bepaalt dat tegen de beslissing op het verzet geen rechtsmiddel openstaat, verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. De beslissing van de kamer werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.