Uitspraak
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
gemachtigde: mr. [naam] voornoemd,
Gerechtshof Amsterdam
Klager diende een klacht in bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders tegen twee gerechtsdeurwaarders, welke door de plaatsvervangend voorzitter als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klager ging in verzet tegen deze beslissing, maar dit verzet werd eveneens ongegrond verklaard. Vervolgens stelde klager hoger beroep in bij het hof.
Het hof oordeelt dat artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat, tenzij een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Klager voerde aan dat dit het geval was vanwege procedurele fouten en onvoldoende motivering.
Het hof verwijst naar vaste jurisprudentie en stelt dat de werkwijze van de kamer niet in strijd is met de wet en dat de termijn van veertien dagen om verzet aan te tekenen niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. Ook een motiveringsgebrek rechtvaardigt volgens het hof geen doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Daarom verklaart het hof klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het rechtsmiddelenverbod van artikel 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet.