ECLI:NL:GHAMS:2016:2831
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing kamer gerechtsdeurwaarders
Klaagster heeft bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders een klacht ingediend tegen een gerechtsdeurwaarder, welke door de kamer als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klaagster tekende verzet aan tegen deze beslissing, maar dit verzet werd eveneens ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing stond volgens artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open, tenzij een fundamenteel rechtsbeginsel was geschonden.
Klaagster voerde in hoger beroep aan dat het rechtsmiddelenverbod doorbroken moest worden vanwege procedurele fouten en schending van motiveringsplicht. Zo zou de kamer onjuist zijn omgegaan met het verweerschrift en de termijn voor verzet onredelijk kort zijn, en zou de beslissing onvoldoende zijn gemotiveerd. De gerechtsdeurwaarder betwistte dit en stelde dat het rechtsmiddelenverbod van toepassing was.
Het hof oordeelde dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken. De gehanteerde procedure was in lijn met vaste jurisprudentie en de termijn voor verzet niet in strijd met het EVRM. Ook een motiveringsgebrek vormt geen grond voor doorbreking van het verbod. Daarom verklaarde het hof klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
De beslissing werd door het hof in openbaar uitgesproken door de rolraadsheer, namens de kamer civiel recht en belastingrecht van het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.