ECLI:NL:GHAMS:2004:AR4506
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Boersma
- Goes
- Hamer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen en heffingsrente over provisie-inkomsten 1987-1989
Belanghebbende, voormalig directeur commerciële zaken bij B NV, ontving provisie-inkomsten van C GmbH & Co. KG die hij niet had vermeld in zijn belastingaangiften over 1987 tot en met 1989. Deze provisies werden gestort op een Belgische beleggingsrekening. De Belastingdienst legde navorderingsaanslagen op over deze jaren nadat zij in 1995 op de hoogte was van deze niet-aangegeven inkomsten.
Belanghebbende voerde aan dat hij op het vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen dat navordering over deze jaren niet meer zou plaatsvinden, mede vanwege eerdere transacties over latere jaren en het handelen van de inspecteur. Het hof oordeelde echter dat geen sprake was van een expliciete of impliciete toezegging van de inspecteur om af te zien van navordering. De inspecteur verkeerde aanvankelijk in de onjuiste veronderstelling dat navordering niet meer mogelijk was, maar dit rechtvaardigde geen vertrouwen bij belanghebbende.
Verder stelde belanghebbende dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld door de navorderingsaanslagen pas in 1999 op te leggen, wat leidde tot hogere heffingsrente. Het hof verwierp dit beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel, verwijzend naar vaste jurisprudentie dat fouten in de aanslagregeling uitputtend zijn geregeld in artikel 16 van Pro de Awr.
Uiteindelijk verklaarde het hof het beroep ongegrond en bevestigde dat de navorderingsaanslagen en de heffingsrente terecht zijn opgelegd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de inspecteur.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslagen en heffingsrente over 1987-1989.