ECLI:NL:CRVB:2026:91
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellante heeft een Wajong-uitkering aangevraagd op grond van haar lichamelijke en psychische beperkingen, stellende dat zij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt sinds haar achttiende verjaardag in 2017. Het UWV heeft dit echter onderzocht en geconcludeerd dat zij wel arbeidsvermogen heeft, waarop de uitkering is geweigerd.
De rechtbank Limburg heeft het bezwaar van appellante tegen deze weigering ongegrond verklaard, waarbij zij het onderzoek en de rapportages van het UWV als zorgvuldig en juist beoordeelde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet vier uur per dag kan werken, dat haar epileptische aanvallen en ziekteverzuim dit verhinderen, en dat haar beperkingen zijn toegenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante over voldoende arbeidsvermogen beschikt. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische en arbeidskundige rapporten geen aanleiding geven tot twijfel. Ook de stelling dat zij niet aaneengesloten een uur kan werken en niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, wordt verworpen.
De Raad bevestigt dat appellante in staat wordt geacht een taak in een arbeidsorganisatie te vervullen, mits met begeleiding en een gestructureerde werkomgeving. Het beroep op duuraanspraak en recente medische stukken leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.