ECLI:NL:CRVB:2026:91

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
25/675 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen

Appellante heeft een Wajong-uitkering aangevraagd op grond van haar lichamelijke en psychische beperkingen, stellende dat zij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt sinds haar achttiende verjaardag in 2017. Het UWV heeft dit echter onderzocht en geconcludeerd dat zij wel arbeidsvermogen heeft, waarop de uitkering is geweigerd.

De rechtbank Limburg heeft het bezwaar van appellante tegen deze weigering ongegrond verklaard, waarbij zij het onderzoek en de rapportages van het UWV als zorgvuldig en juist beoordeelde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet vier uur per dag kan werken, dat haar epileptische aanvallen en ziekteverzuim dit verhinderen, en dat haar beperkingen zijn toegenomen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante over voldoende arbeidsvermogen beschikt. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische en arbeidskundige rapporten geen aanleiding geven tot twijfel. Ook de stelling dat zij niet aaneengesloten een uur kan werken en niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, wordt verworpen.

De Raad bevestigt dat appellante in staat wordt geacht een taak in een arbeidsorganisatie te vervullen, mits met begeleiding en een gestructureerde werkomgeving. Het beroep op duuraanspraak en recente medische stukken leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 februari 2025, 23/1616 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 januari 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedatum] 2017 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) en ook in de vijf jaar daarna duurzaam niet over arbeidsvermogen. Daarom had zij als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.J.L. Gijsen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 november 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gijsen en haar moeder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is geboren op [geboortedatum] 1999. Zij heeft op 23 december 2020 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat sprake is van lichamelijke en psychische problematiek. Bij de aanvraag is informatie gevoegd over de psychische situatie vanaf 2008 en medische informatie van een revalidatiecentrum en huisarts over lichamelijke problemen. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht en geconcludeerd dat appellante beschikt over arbeidsvermogen. Met een besluit van 24 maart 2021 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Wel is appellante een Indicatie Banenafspraak toegekend. Appellante heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met een op 16 december 2022 door het Uwv ontvangen aanvraag heeft appellante opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij die aanvraag heeft appellante een groot aantal medische stukken overgelegd. Na onderzoek door een arts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2023 geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat appellante over arbeidsvermogen beschikt.
1.3.
Bij besluit van 22 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de artsen van het Uwv inzichtelijk verslag hebben gedaan van hun bevindingen. Alle beschikbare informatie is in de beoordeling betrokken.
2.1.
Inhoudelijk heeft de rechtbank geen reden gezien aan de beoordeling van het Uwv te twijfelen. Appellante heeft een moeilijke start gehad in haar leven en vanaf haar jeugd is zij bekend met een verlamming van de linker lichaamshelft. Haar intelligentie is betrekkelijk laag met een verschil tussen de verbale begaafdheid en het vermogen taken uit te voeren. Verder zijn er oog- en hartklachten. Het Uwv heeft rekening gehouden met psychische en fysieke beperkingen, waaronder het aangewezen zijn op eenvoudige routinematige werkzaamheden, geen hoge werkdruk of eindverantwoordelijkheid, omgaan met kritiek, een beperking voor tillen en dragen, lopen en fysieke belasting. Een vaste structuur en de mogelijkheid van begeleiding bij vastlopen is wenselijk. De rechtbank ziet in wat appellante in beroep heeft aangevoerd geen reden om de beoordeling van het Uwv niet te volgen. Ook de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank juist geacht. De omstandigheid dat appellante de ene dag alles kan en de andere dag niet heeft het Uwv meegewogen. Appellante wordt in staat geacht de taak ‘handmatig afwassen’ te vervullen en beschikt over werknemersvaardigheden, wat blijkt uit het doorlopen van studie en stages.
Het standpunt van appellante
3.1.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij niet in staat is om vier uur per dag te werken. Volgens haar is niet in geschil dat zij de ene dag wel iets kan en de andere dag niet. Dat betekent volgens appellante dat zij niet gedurende vijf dagen per week vier uur inzetbaar is, want volgens recente rechtspraak vereist is. [1] Verder heeft appellante aangevoerd dat uit de brief van de revalidatiearts van 22 augustus 2022 blijkt dat zij sinds 2022 weer last heeft van epileptische aanvallen. Uit het verslag van 17 januari 2023 blijkt dat zij in tien dagen tijd vijf aanvallen heeft gehad. Ook is sprake van een aanzienlijk ziekteverzuim.
3.1.2.
Appellante heeft een groot aantal stukken in geding gebracht waaronder een brief van de revalidatiearts van 16 januari 2024 en informatie over de schoolperiode, begeleiding via gemeente en een brief van de moeder van appellante. Uit alle beschikbare informatie tezamen blijkt dat appellante duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt.
3.1.3.
Tenslotte heeft appellante erop gewezen dat het haar aanvraag van 16 december 2022 moet worden beschouwd als een Amber-verzoek en een beroep op de duuraanspraakjurisprudentie. [2] De beperkingen van appellante zijn na haar achttiende verjaardag toegenomen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.1.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
3.2.2.
Bij brief van 30 oktober 2025 heeft het Uwv op de overgelegde stukken gereageerd en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 oktober 2025 overgelegd.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten. Dat doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen van het Uwv. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid en voegt hier het volgende aan toe.
4.3.
Appellante heeft op 16 december 2022 voor de tweede keer een Wajong-uitkering aangevraagd. Het betreft een herhaalde aanvraag. Uit de medische en arbeidskundige rapporten blijkt dat het Uwv bij deze tweede aanvraag alle beschikbare informatie heeft betrokken die ziet op de periode van rond het achttiende jaar tot en met 16 december 2022. Op basis daarvan heeft het Uwv onderzocht of appellante op haar achttiende jaar, [geboortedatum] 2017, of binnen vijf jaar daarna, duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte. Het Uwv heeft vastgesteld dat alle beperkingen die bij de eerste aanvraag in aanmerking zijn genomen ook ten tijde van de tweede aanvraag nog aanwezig waren. Daarnaast is in de periode tot [geboortedatum] 2022 sprake geweest van een toename van beperkingen. Ook als met deze toegenomen problematiek rekening wordt gehouden is appellante volgens het Uwv vier uur per dag belastbaar in arbeid, in staat een uur aaneengesloten te werken, beschikt zij over werknemersvaardigheden en kan zij een taak vervullen.
Vier uur per dag belastbaar
4.4.1.
De stelling van appellante dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking van meer dan vier uur heeft aangenomen, slaagt niet. Het Uwv heeft bij de tweede aanvraag rekening gehouden met toegenomen beperkingen in de mobiliteit, in het functioneren met specifieke omgevingsfactoren, in het leren en toepassen van kennis, het ontwikkelen van vaardigheden en in algemene taken en eisen en voor beroep en werk. Het Uwv heeft toegelicht dat appellante geen medische gegevens in geding heeft gebracht op grond waarvan zij niet in staat zou zijn gedurende vier uur per dag activiteiten te vervullen. Dat blijkt niet uit de informatie van haar behandelaars. Deze toelichting wordt niet onjuist geacht.
4.4.2.
De omstandigheid dat volgens appellante sprake is van een wisselende belastbaarheid, maakt de beoordeling niet anders. Het Uwv heeft verwezen naar de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 6 juni 2023. Daarin staat dat de begeleidster van appellante heeft aangegeven dat appellante veel dingen wel goed kan benoemen en uitleggen, maar dat de uitvoering niet altijd lukt. De ene dag lukt het wel en de andere dag niet. Dit leidt volgens het Uwv niet tot de conclusie dat appellante vanwege ziekte of gebrek geen vier uur per dag belastbaar is. Deze toelichting wordt gevolgd.
Eén uur aaneengesloten werken
4.5.1.
De stelling van appellante dat zij niet een uur aaneengesloten kan werken slaagt niet. Onder ten minste een uur aaneengesloten werken wordt verstaan dat niet vaker dan een keer per uur een substantiële onderbreking van het productieproces om de betrokkene bij te sturen noodzakelijk is. Het is daarbij niet relevant of er eventueel tijdens de werkzaamheden toezicht moet worden uitgeoefend, ook al is dat permanent noodzakelijk. De omstandigheid dat sprake is geweest van epileptische aanvallen in 2010 maakt niet dat op grond hiervan geoordeeld moet worden dat appellante hiertoe rond haar achttiende levensjaar tot haar 23e jaar niet in staat is. Daartoe wordt overwogen dat het Uwv heeft toegelicht dat in 2022 melding is gemaakt van toegenomen klachten op grond van epilepsie, maar dat dit niet uit medische gegevens blijkt. Evenmin blijkt uit medische gegevens hoe vaak of in welke mate appellante last heeft van deze aanvallen. Ter zitting is toegelicht dat nader onderzoek hiernaar niet heeft plaatsgevonden. Uit de beschikbare medische gegevens blijkt daarom niet dat appellante in de relevante periode niet in staat is geweest om een uur aaneengesloten te werken.
4.5.2.
Ook betekent de omstandigheid dat appellante begeleiding heeft bij het doen van boodschappen niet dat zij niet een uur aaneengesloten kan werken. Niet is gebleken van een noodzaak tot het meer dan eenmaal per uur substantieel onderbreken van het productieproces om appellante bij te sturen.
Basale werknemersvaardigheden
4.6.
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden, omdat zij snel overprikkeld raakt en last heeft van concentratiestoornissen. In dat verband wordt overwogen dat basale werknemersvaardigheden vaardigheden zijn waarover iemand altijd moet beschikken om als werknemer in een arbeidsorganisatie te kunnen functioneren. Het gaat daarbij om andere vaardigheden dan die nodig zijn om aan de specifieke eisen uit het takenbestand te kunnen voldoen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat appellante tijdens studie, stages en vrijwilligerswerk heeft aangetoond dat zij de cognitieve capaciteiten heeft om zich aan afspraken te houden, opdrachten te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Daarom bestaat geen reden te oordelen dat appellante op haar achttiende verjaardag en in de vijf jaar daarna niet over basale werknemersvaardigheden beschikt.
Taak
4.7.
Appellante wordt tenslotte in staat geacht een taak in een arbeidsorganisatie te vervullen. Bij een taak gaat het om de kleinste eenheid van een functie, waarbij een functie meestal uit meerdere taken bestaat. Dat mag ook in een zogenaamde beschutte werkomgeving zijn. In de analyse arbeidsvermogen van de arbeidsdeskundige van 27 februari 2023 is toegelicht waar een werkplek voor appellante aan moet voldoen. Zo is appellante beperkt geacht in het organiseren van taken en volledig zelfstandig uitvoeren hiervan. Zij moet altijd terug kunnen vallen op collega’s en begeleiding krijgen bij vastlopen. Een vaste structuur is wenselijk geacht. De werkzaamheden moeten voorgestructureerd en routinematig zijn en er moet sprake zijn van vaste taken en een duidelijke volgorde in het werkproces. Bij het selecteren van de taak van ‘handmatig afwassen’ in een dierenpension is hiermee rekening gehouden. De stelling van dat appellante dat zij niet in staat is die taak te vervullen omdat zij voorwerpen uit haar handen laat vallen, maakt de beoordeling niet anders. Het Uwv heeft toegelicht dat het bij het vervullen van de geselecteerde taak gaat om het afwassen van grove voorwerpen. In de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten dat appellante hiertoe niet in staat zou zijn. Deze toelichting wordt gevolgd.
Duuraanspraak
4.8.
Met het beroep van op de duuraanspraak-jurisprudentie stelt appellante dat het eerste weigeringsbesluit (van 24 maart 2021) onjuist is, los van de vraag of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze grond slaagt niet. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellante van haar achttiende verjaardag en in de vijf jaren daarna arbeidsvermogen had. Het besluit van 24 maart 2021 was dus juist en er is geen aanleiding om daarop terug te komen.
Stukken in hoger beroep
4.9.
De stukken die appellante in hoger beroep heeft ingebracht werpen geen ander licht op de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in een rapport van 28 oktober 2025 met juistheid op gewezen dat de meeste van die stukken niet afkomstig zijn van een arts. Voor zover dat wel het geval is, gaan die stukken over een periode die ver na de periode in geding ligt.
4.10.
Omdat er geen twijfel bestaat aan de juistheid van de beoordeling door het Uwv bestaat geen aanleiding om een deskundige te raadplegen.
4.11.
Uit 4.2 tot en met 4.10 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellante op [geboortedatum] 2017 en de vijf jaren daarna beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, is daarom niet aan de orde.

Conclusie en gevolgen

4.12.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

1.Rb. Zeeland-West-Brabant 18 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1762.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.