ECLI:NL:CRVB:2026:907

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
23/2982 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 31 PWArt. 32 PWArt. 54 PWArt. 58 PW
Verwijzingen
18 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting

Appellant ontving bijstand van februari 2016 tot april 2019. Het college stelde vast dat appellant diverse stortingen en bijschrijvingen van derden op zijn bankrekening niet had gemeld, waardoor hij te veel bijstand ontving. Het college herzag het besluit en vorderde een bedrag van € 15.481,53 terug.

Appellant voerde aan dat de stortingen ten onrechte als inkomen werden aangemerkt en dat hij de inlichtingenverplichting niet had geschonden, mede vanwege zijn taalachterstand en nieuwkomerschap. Ook stelde hij dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen.

De Raad oordeelde dat de stortingen terecht als inkomen werden aangemerkt omdat zij een terugkerend karakter hadden en appellant hierover onvoldoende verifieerbare verklaringen gaf. Ondanks zijn omstandigheden had appellant redelijkerwijs moeten begrijpen dat deze geldstromen invloed hadden op zijn recht op bijstand. De zorgplicht van het college was voldoende nagekomen. Dringende redenen om terugvordering te matigen werden niet aannemelijk gemaakt.

De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak, waardoor de herziening en terugvordering van bijstand in stand blijft.

Uitkomst: De herziening en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.

Uitspraak

23/2982 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2023, 22/2436 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 30 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaan over een herziening en terugvordering van bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Volgens het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van stortingen en bijschrijvingen van derden op zijn bankrekening. Deze stortingen en bijschrijvingen dienen als inkomen in aanmerking te worden genomen bij de bijstand. Als gevolg hiervan heeft appellant te veel bijstand ontvangen. Appellant is het daar niet mee eens. Hij voert aan dat de stortingen en bijschrijvingen ten onrechte als inkomen zijn aangemerkt en hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Ook is volgens hem sprake van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Net als de rechtbank is de Raad het niet met appellant eens. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Rezaie, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rezaie. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt vanaf 1 februari 2016 bijstand op grond van de PW naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een melding dat er kentekens op naam van appellant zijn geregistreerd, heeft een handhavingsspecialist van Handhaving Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (handhavingsspecialist) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De handhavingsspecialist heeft onder meer dossieronderzoek gedaan, rekeningafschriften opgevraagd bij appellant en op 11 april 2019 met appellant gesproken. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 23 april 2019.
1.3.
Met een besluit van 28 december 2021, in bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 april 2022 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2016 tot en met 30 april 2019 herzien en een bedrag van € 20.241,83 aan gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd. De reden hiervan is dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door inkomsten in de vorm van stortingen en bijschrijvingen door derden op zijn rekening niet aan het college door te geven.
1.4.
Gedurende de beroepsprocedure heeft het college met een besluit van 8 februari 2023 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 herzien en het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft een aantal door appellant van derden op zijn bankrekening ontvangen bedragen niet als inkomen aangemerkt en de terugvordering daarom vastgesteld op € 11.916,70.
1.5.
Met een brief van 12 juni 2023 heeft het college een herberekening van de terugvordering opgesteld. In deze herberekening heeft het college nog enkele bedragen niet als inkomen aangemerkt en het totaal terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 15.481.53. Dit bedrag is hoger uitgevallen dan de terugvordering zoals deze is vastgesteld in bestreden besluit 2, omdat in de berekening die ten grondslag lag aan bestreden besluit 2 een rekenfout is gemaakt volgens het college. Het college heeft de motivering van bestreden besluit 2 aangevuld met de herberekening, maar heeft het in bestreden besluit 2 vastgestelde terugvorderingsbedrag gehandhaafd, aangezien dit in het voordeel is van appellant.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft daarnaast bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 in stand blijven.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 2 over de herziening en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 februari 2016 tot en met 30 april 2019.
4.2.
Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode diverse stortingen en bijschrijvingen van derden op de rekening van appellant hebben plaatsgevonden waarvan appellant geen melding heeft gemaakt. In geschil is of de stortingen en bijschrijvingen als inkomen dienen te worden aangemerkt en of appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de stortingen en bijschrijvingen niet te melden. Tevens is in geschil of sprake is van dringende redenen om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien.
Inkomen
4.3.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.4.
Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Bovendien worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan een betrokkene als inkomen aangemerkt als hij daarover vrij kan beschikken en maakt de vorm van die betalingen geen verschil. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [2]
4.5.
Appellant heeft aangevoerd dat (een deel van) de bijschrijvingen op zijn bankrekening ten onrechte als inkomen zijn aangemerkt. Appellant deed boodschappen voor zijn Syrische huisgenoten en kookte voor hen. Hij kreeg van hen dan een gedeelte van het boodschappengeld terug. Ook gaven huisgenoten hem geld om via Western Union over te maken naar familieleden die in het buitenland woonden. De bijschrijvingen van zijn ouders waren niet bedoeld voor zijn eigen levensonderhoud, maar dat van zijn ouders. Zij rekenden op zijn hulp bij het doen van boodschappen en het doen van bestellingen. Over een bedrag van € 300,- dat hij op 14 oktober 2016 van een derde heeft ontvangen, heeft appellant verklaard dat hij dat bedrag contant heeft opgenomen en aan deze derde heeft gegeven omdat diegene op dat moment geen bankpas had. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.5.1.
Naar aanleiding van de door appellant gegeven verklaringen over de stortingen en bijschrijvingen heeft het college in beroep (nogmaals) onderzoek gedaan en heeft daarbij per transactie onderzocht of een plausibele en verifieerbare koppeling kon worden gelegd met uitgaande betalingen of geldopnames. Dit heeft ertoe geleid dat het college de stortingen en bijschrijvingen die als zogenoemde kruisposten konden worden aangemerkt of anderszins voldoende verklaarbaar werden geacht, buiten beschouwing heeft gelaten.
4.5.2.
Voor zover appellant in hoger beroep heeft aangevoerd dat ook de resterende stortingen en bijschrijvingen afdoende zijn verklaard, wordt hij hierin niet gevolgd. Ten aanzien van een substantieel aantal transacties heeft appellant geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit de gestelde herkomst of het karakter van voorschot en terugbetaling daarvan blijkt. Het college heeft juist ten aanzien van deze posten, ondanks uitgebreid onderzoek en het leggen van koppelingen waar mogelijk, geen aanknopingspunten gevonden om deze buiten beschouwing te laten. Onder die omstandigheden heeft het college deze bedragen terecht als inkomen aangemerkt.
4.5.3.
Daarbij wordt van belang geacht dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van een aanzienlijk totaalbedrag aan stortingen en bijschrijvingen. Dit is hieronder in 4.7.1 nader beschreven en gemotiveerd. Tegen die achtergrond kan niet worden gezegd dat het college lichtvaardig of onvoldoende kritisch heeft gehandeld. Integendeel, uit het dossier blijkt dat het college zich aantoonbaar heeft ingespannen om uitsluitend die bedragen in aanmerking te nemen waarvan de herkomst onvoldoende verklaard bleef.
Schending inlichtingenverplichting
4.6.
De inlichtingenverplichting houdt in dat de bijstandgerechtigde aan het college uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Als door de schending van de inlichtingenverplichting te veel bijstand is verleend, moet het college de bijstand herzien en de kosten daarvan terugvorderen.
4.7.
Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat dus niet daardoor te veel bijstand is verleend. Volgens appellant hoefde het hem, als nieuwkomer in Nederland die de taal niet machtig is, niet redelijkerwijs duidelijk te zijn dat de stortingen en bijschrijvingen van invloed zouden zijn op de bijstand. Het college heeft appellant hierover niet duidelijk genoeg geïnformeerd. In geval van personen als appellant rust op een bestuursorgaan een zwaardere zorgplicht om zich ervan te vergewissen dat deze personen goed hebben begrepen wat er van hen verwacht wordt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van belang.
4.7.1.
De bijstand is een vangnetvoorziening en heeft dus een aanvullend karakter. Dat wil zeggen dat daarop alleen recht bestaat voor zover een persoon onvoldoende middelen heeft om in de kosten van het bestaan te voorzien. Daarom moet voor elke bijstandontvanger zonder meer duidelijk zijn dat periodieke ontvangsten van derden die vrij kunnen worden besteed van invloed kunnen zijn op de bijstand. Dit geldt temeer als, zoals in het geval van appellant, geen sprake is van enkele incidentele of eenvoudig verklaarbare transacties. Uit de bankafschriften komt een diffuus en wisselend patroon van stortingen en bijschrijvingen naar voren, afkomstig van een groot aantal verschillende personen. Daarnaast blijkt uit de rekeningafschriften van uiteenlopende bestedingen, waaronder uitgaven voor uitjes, reizen en opnames in het buitenland. Het financiële beeld dat uit het dossier naar voren komt, is daarmee aanzienlijk breder dan appellant heeft voorgesteld met zijn verklaring dat het voornamelijk zou gaan om onderlinge verrekeningen in het kader van gezamenlijk eten of vergelijkbare dagelijkse uitgaven. Ook de omvang van de ontvangen bedragen past niet bij die verklaring. Het ging immers in de meeste maanden om de ontvangst van € 150,- of meer en in acht maanden om bedragen die de bijstandsnorm voor een alleenstaande overtroffen, soms tot een bedrag van meer dan € 6.000,-. Gelet op de aard, omvang en frequentie van de ontvangen bedragen had het appellant, ondanks dat hij nieuwkomer was in Nederland en de taal niet beheerste, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze geldstromen niet zonder betekenis konden zijn voor zijn recht op bijstand.
4.7.2.
Daarbij komt dat het college appellant heeft gewezen op zijn inlichtingenverplichting. In het toekenningsbesluit van 21 januari 2016 staat dat appellant in ieder geval wijzigingen in zijn financiële situatie moeten doorgeven, ook als het gaat om eenmalige of tijdelijke inkomsten. Zoals uit 4.7.1 volgt, is het veelvuldig ontvangen van bedragen naast de bijstand, zoals in het geval van appellant, onmiskenbaar een wijziging in de financiële situatie. Die moet dus worden doorgegeven. Dat het college over de specifieke situatie van appellant niet expliciet informatie heeft verstrekt, betekent niet dat het college niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht. De inlichtingenverplichting is immers een open norm. Dat brengt mee dat niet kan worden verwacht dat het college op voorhand precies alle situaties benoemt waarmee een bijstandsgerechtigde te maken kan krijgen en die moeten worden gemeld. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [3]
Dringende redenen
4.8.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.9.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [4] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.10.
Volgens appellant is sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij leeft op het bestaansminimum en dus nog jarenlang bezig zal zijn met het aflossen van de vordering. Dit kan tot onaanvaardbare financiële en/of sociale gevolgen leiden. De terugbetalingsverplichting zal er op korte termijn toe leiden dat hij zijn vaste lasten als huur en zorgverzekering niet meer kan betalen en op straat terecht zal komen. Verder is van belang dat appellant geen financiële reserves heeft en wegens een taalachterstand en zijn lichamelijke toestand een achterstand op de arbeidsmarkt heeft. Ter zitting heeft appellant hier nog aan toegevoegd dat hij een kind heeft uit een eerdere relatie met wie hij graag contact wil. Door zijn financiële situatie wordt dit bemoeilijkt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.10.1.
Het college heeft wat appellant heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarvoor is het volgende van belang. Allereerst wordt vastgesteld dat de terugvordering niet is ontstaan, of is opgelopen, door toedoen van het college, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellant. Dat de terugvordering voor hem ernstige nadelige financiële en/of sociale gevolgen heeft, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Die stelling heeft hij niet onderbouwd met bewijsstukken. Hij heeft bovendien bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ter zitting is verder gebleken dat appellant sinds 1 januari 2022 maandelijks een bedrag aan het college terugbetaalt, waarbij het college feitelijk rekening houdt met de voor appellant geldende beslagvrije voet. Het college heeft ten slotte terecht gewezen op de mogelijkheid dat het terugvorderingsbedrag met toepassing van artikel 58, zevende lid, van de PW na tien jaar kan worden kwijtgescholden.

Conclusie en gevolgen

4.11.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het dagelijks bestuur op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het dagelijks bestuur kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 31, eerste lid
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 32, eerste lid
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van Pro de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 54, derde lid, eerste volzin
Het dagelijks bestuur herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. (…)
Artikel 58
1. Het dagelijks bestuur van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(...)
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het dagelijks bestuur besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138.
3.Bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1786.