ECLI:NL:CRVB:2026:853

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/234 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij WW-uitkeringsaanvraag

Appellante diende op 30 september 2020 een aanvraag in voor een WW-uitkering, maar verstrekte niet de gevraagde aanvullende gegevens, waardoor het UWV de aanvraag buiten behandeling stelde. Later herinnerde het UWV appellante aan een openstaande vordering van €285,69 wegens teveel ontvangen Ziektewet-uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het UWV verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk wegens te late indiening of het ontbreken van een besluit.

De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het resultaat dat appellante nastreefde, namelijk een inhoudelijke toetsing van de besluiten, niet tot een betere positie voor haar zou leiden. Appellante wilde vooral een fraudeonderzoek en inzage in de resultaten daarvan, maar dit doel kon niet met deze procedure worden bereikt. Het UWV stelde dat het fraudeonderzoek inmiddels was afgerond en de vordering was kwijtgescholden.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij nooit een ZW-uitkering had ontvangen en dat fraude was gepleegd met haar gegevens, waardoor zij inzage wilde krijgen in het onderzoek. De Raad oordeelde dat dit standpunt een herhaling was van eerdere gronden en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat er geen procesbelang is. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen wegens ontbreken van procesbelang; de eerdere uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/234 WW, 25/238 WW en 25/239 WW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 december 2024, 23/10967, 23/10968 en 23/10969 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank de beroepen van appellante terecht nietontvankelijk heeft verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang. De Raad oordeelt dat dit het geval is.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een vraag van de Raad beantwoord en nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Voor appellante is mr. Ergec verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 30 september 2020 is op naam van appellante een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Met een brief van 1 oktober 2020 heeft het Uwv appellante verzocht om nadere gegevens in te dienen die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen. Omdat appellante de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt, heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2020 de aanvraag buiten behandeling gesteld.
1.2.
Met een brief van 13 maart 2023 heeft het Uwv appellante herinnerd aan een nog openstaande vordering ter hoogte van € 285,69. Het gaat om teveel ontvangen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Appellante moet het genoemde bedrag uiterlijk op 27 maart 2023 aan het Uwv overmaken.
1.3.
Met een brief van 22 juni 2023 heeft het Uwv appellante opnieuw herinnerd aan de openstaande vordering van € 285,69.
1.4.
Op 29 juni 2023 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 oktober 2020 en de brieven van 13 maart 2023 en 22 juni 2023. Met een tweetal beslissingen op bezwaar van 4 oktober 2023 heeft het Uwv de bezwaren tegen het besluit van 16 oktober 2020 en de brief van 13 maart 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaren te laat zijn ingediend en dit niet verschoonbaar is. Met een derde beslissing op bezwaar van 4 oktober 2023 heeft het Uwv het bezwaar tegen de brief van 22 juni 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitspraak van de rechtbank
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen de drie beslissingen op bezwaar van 4 oktober 2023. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante geen procesbelang bij een beoordeling van haar beroepen. Hiertoe heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – als volgt overwogen.
2.1.
Uit vaste rechtspraak [1] vloeit voort dat pas sprake is van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
2.2.
De rechtbank heeft overwogen dat appellante met de beroepsprocedures alleen kan bereiken dat geoordeeld wordt dat haar bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard en dat de primaire besluiten – voor zover daarvan sprake is – alsnog inhoudelijk door het Uwv worden getoetst. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat zelfs indien zij tot de conclusie zou komen dat het Uwv ten onrechte de bezwaren van appellante nietontvankelijk heeft verklaard, dit oordeel appellante niet in een betere positie brengt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante alsnog aanspraak wenst te maken op een WW-uitkering. Evenmin heeft zij gesteld dat zij het niet eens is met het door haar aan het Uwv terug te betalen bedrag. Bovendien heeft het Uwv in het verweerschrift onweersproken gesteld dat de vordering die het Uwv op appellante had inmiddels is kwijtgescholden.
2.3.
Uit de gedingstukken heeft de rechtbank afgeleid dat appellante bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld omdat zij aandacht wil vragen voor fraude die zou zijn gepleegd met haar gegevens. De rechtbank is van oordeel dat dit doel van appellante, het instellen van een fraudeonderzoek, in deze procedures niet kan worden bereikt. Overigens heeft het Uwv verklaard dat het door appellante gewenste fraudeonderzoek inmiddels is ingesteld. Ter zitting is aangegeven dat dit onderzoek recent is afgerond.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft gesteld dat zij al 29 jaar lang niet heeft gewerkt en nooit een ZW-uitkering heeft ontvangen. De WW-aanvraag heeft zij niet zelf ingediend. Er is fraude gepleegd met haar gegevens en appellante wil inzage krijgen in de wijze waarop dit is gebeurd. Daarin is volgens appellante het procesbelang gelegen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de beroepen van appellante nietontvankelijk heeft verklaard aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat het doel dat appellante wenst te bereiken, namelijk dat het Uwv een fraudeonderzoek instelt en dat appellante inzage krijgt in de resultaten daarvan, niet met deze procedure kan worden bereikt. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Ook de nadere toelichting die in hoger beroep tijdens de zitting namens appellante is gegeven, biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van procesbelang.

Conclusie en gevolgen

5.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beslissingen op bezwaar van 4 oktober 2023 niet inhoudelijk worden beoordeeld.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) C.C.T. Yao

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 februari 2024 ECLI:NL:CRVB:2024:380 en 8 december 2022 ECLI:NL:CRVB:2022:2630.