ECLI:NL:CRVB:2026:824

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
24/1417 POL
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 77, eerste lid, aanhef en onder j BarpArt. 78, eerste lid BarpArt. 64 Barp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen voorwaardelijk ontslag politieambtenaar en vergoeding bezwaarkosten

Appellant, een politieambtenaar, kreeg een disciplinaire straf opgelegd van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van drie jaar en een verplaatsing vanwege plichtsverzuim. Na bezwaar werd de proeftijd verkort naar twee jaar, maar de straf bleef gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellant geen procesbelang had bij de inhoudelijke beoordeling van het voorwaardelijk ontslag, omdat het besluit niet ten uitvoer was gelegd en de gestelde schade onvoldoende was onderbouwd. Wel was er procesbelang bij de vergoeding van de kosten in de bezwaarfase, omdat het bezwaarbesluit was herroepen zonder toekenning van kostenvergoeding terwijl daar om was gevraagd.

De Raad oordeelde dat de herroeping van het besluit onrechtmatig was en aan de korpschef te wijten, waardoor de weigering tot vergoeding van bezwaarkosten onterecht was. Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard voor de kostenvergoeding en niet-ontvankelijk voor het voorwaardelijk ontslag. De korpschef werd veroordeeld tot vergoeding van de bezwaarkosten en proceskosten in beroep en hoger beroep, inclusief griffierecht.

Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor voorwaardelijk ontslag, gegrond voor vergoeding bezwaarkosten en proceskosten aan appellant.

Uitspraak

24/1417 POL
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 mei 2024, 23/2934 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Korpschef van Politie (korpschef)
Datum uitspraak: 18 juni 2026

SAMENVATTING

Het hoger beroep wordt, voor zover dat ziet op het voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar en een verplaatsing, vanwege het ontbreken van procesbelang nietontvankelijk verklaard. Appellant heeft wel procesbelang bij een oordeel over de vergoeding van de kosten in de bezwaarfase. De korpschef heeft zijn besluit in bezwaar herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen, terwijl daar wel om was gevraagd. Omdat de herroeping het gevolg is van een onrechtmatigheid die aan de korpschef te wijten is, slaagt het hoger beroep voor zover de korpschef heeft nagelaten om aan appellant de kosten in bezwaar te vergoeden.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. J. Sajtos, advocaat, hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door Sajtos. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Lenting.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is sinds 2000 in dienst bij de politie, laatstelijk in de functie van senior GGP (wijkagent) bij het Basisteam [naam] binnen het district [regio 1] van de eenheid [regio 2] . Door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten is onderzoek ingesteld naar appellant in verband met het vermoeden van plichtsverzuim. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een drietal rapporten.
1.2.
Nadat de korpschef een voornemen daartoe kenbaar heeft gemaakt en appellant zijn zienswijze hierover naar voren heeft gebracht, heeft de korpschef met een besluit van 19 september 2022 de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd met een proeftijd van drie jaar. [1] Verder is appellant in het belang van de dienst overgeplaatst naar [plaats 1] . [2]
1.3.
Aan het ontslag is ten grondslag gelegd dat appellant, kort weergegeven, de volgende gedragingen heeft begaan:
1. het – in strijd met de wettelijke voorschriften – onder zich hebben/houden en in zijn woning voorhanden hebben (gehad) van (scherpe) (vuurwapen)patronen en oefenhandgranaten;
2. het op [datum] 2021 in [plaats 2] (meer dan aanzienlijk) overschrijden van de ter plaatse geldende maximumsnelheid;
3. het in (meerdere) privé aangelegenheden niet de-escalerend optreden, maar situaties (verder) doen escaleren;
4. het uit hoofde van en als gevolg van zijn dienstbetrekking verkregen informatie aanwenden in een privé aangelegenheid;
5. het niet overeenkomstig de werkelijkheid verantwoorden van (gewerkte) diensten in het Basisvoorziening Capaciteitsmanagement systeem.
1.4.
Met een besluit van 11 april 2023 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 september 2022 ongegrond verklaard. De korpschef heeft appellant niet langer een onjuiste werktijdenverantwoording als plichtsverzuim verweten. De opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag is gehandhaafd, maar de hieraan verbonden proeftijd is verkort naar twee jaar. Ook heeft de korpschef de verplaatsing van appellant in stand gelaten.
1.5.
Appellant is inmiddels ontslag verleend wegens ziekte.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad stelt vast dat het hoger beroep niet meer is gericht tegen de verplaatsing. De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het voorwaardelijk ontslag. De Raad is van oordeel dat dat niet het geval is. Appellant heeft nog wel procesbelang bij een oordeel over de kostenvergoeding in de bezwaarfase. Het hoger beroep dat daarop ziet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen [3] is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
4.2.
Appellant meent procesbelang te hebben bij een oordeel over het voorwaardelijk strafontslag, gelet op een mogelijk nog bij de korpschef in te dienen verzoek om schadevergoeding.
4.3.
De door appellant gestelde immateriële schade leidt echter niet tot het aannemen van procesbelang, omdat op voorhand onaannemelijk is dat dergelijke schade door appellant als gevolg van de besluitvorming is geleden. Appellant heeft zijn standpunt dat hij psychisch leed en geestelijk letsel heeft opgelopen door de wijze waarop de korpschef heeft gehandeld, op geen enkele wijze onderbouwd.
4.4.
Ook de door appellant gestelde materiële schade als gevolg van het bestreden besluit wordt op voorhand onaannemelijk geacht. Dat de vaststelling van de onrechtmatigheid van dit specifieke besluit, dat nimmer ten uitvoer is gelegd, mogelijk een rol zou kunnen spelen bij het vaststellen van financiële aanspraken in het kader van een minnelijke regeling inzake de erkenning van PTSS als beroepsziekte, zoals appellant stelt, is onvoldoende geconcretiseerd. Daarbij acht de Raad niet zonder belang dat de korpschef de bij appellant bestaande PTSS al als beroepsziekte heeft erkend.
4.5.
Uit dat wat hiervoor is overwogen volgt dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de straf van voorwaardelijk ontslag. Het hoger beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.
Vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar
4.6.
Zoals de Raad in de uitspraak van 2 april 2024 [4] heeft geoordeeld, levert het niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang op, tenzij het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. De Raad stelt vast dat de korpschef in deze zaak aan appellant geen vergoeding van de bezwaarkosten heeft toegekend, terwijl daar wel om was verzocht. Partijen verschillen van mening over de vraag of het besluit in bezwaar is herroepen. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat appellant in dit geval een zelfstandig procesbelang heeft. Over het niet toekennen van die bezwaarkosten overweegt de Raad als volgt.
4.7.
Met het bestreden besluit heeft de korpschef de proeftijd verkort van drie jaar naar twee jaar. Daartoe heeft de korpschef overwogen dat een proeftijdtermijn van drie jaar in het geval van appellant niet in een redelijke verhouding staat tot het hem – uiteindelijk – verweten plichtsverzuim. Een proeftijd van twee jaar vond de korpschef hier beter bij passen. In de verkorting van de proeftijd heeft de korpschef geen aanleiding gezien om aan appellant de verzochte vergoeding van proceskosten toe te kennen.
4.8.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat met de verkorting van de proeftijd de rechtsgevolgen van het besluit van 19 september 2022 zijn gewijzigd en dat in zoverre dus sprake is van het herroepen van dat besluit.
4.9.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb [5] voor het vergoeden van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De herroeping van het besluit van 19 september 2022 is het gevolg van een onrechtmatigheid die aan de korpschef wijten is. Het gewijzigde inzicht van de korpschef over de omvang en ernst van het door appellant gepleegde plichtsverzuim en het als gevolg daarvan gewijzigde inzicht over de evenredigheid van de duur van de proeftijd, berust op een aanvankelijke onjuiste waardering van feiten en omstandigheden, zoals deze zich ten tijde van het besluit van 19 september 2022 voordeden. Dat maakt het primaire besluit onrechtmatig. De onrechtmatigheid is niet aan appellant maar aan de korpschef te wijten. De korpschef heeft het verzoek om proceskostenvergoeding dan ook ten onrechte afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4.10.
Het hoger beroep slaagt voor zover het de vergoeding van de kosten in bezwaar betreft. De aangevallen uitspraak wordt in zoverre vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vernietigen voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen. De Raad zal voorts, met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in verbinding met artikel 7:15 van Pro de Awb, de korpschef veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en met gewichtsfactor 1).
4.11.
Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat betrekking heeft op de straf van voorwaardelijk ontslag.
5. Tevens ziet de Raad aanleiding om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en met gewichtsfactor 1) en op € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en met gewichtsfactor 1). Appellant krijgt ook het betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het de vergoeding van de kosten in bezwaar betreft;
  • verklaart het beroep in zoverre gegrond;
  • vernietigt het besluit van 11 april 2023, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen;
  • verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de korpschef in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.068,-;
  • bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 463,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot als voorzitter en B. Serno en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

(getekend) G.C. Boot

(getekend) A.A. Verweij

Voetnoten

1.Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en artikel 78, eerste lid, van het Barp.
2.Op grond van artikel 64 van Pro het Barp.
3.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
4.Zie de uitspraken van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635 en ECLI:NL:CRVB:2024:636.
5.Algemene wet bestuursrecht.