ECLI:NL:CRVB:2026:820

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
25/1508 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging eerste ziektedag en dagloon Ziektewet na afwijzing medische afzakker

Appellant, die sinds 2005 werkzaam was bij verschillende werkgevers, meldde zich in 2013 ziek vanwege colitis ulcerosa en hervatte het werk in 2014. Na diverse dienstverbanden meldde hij zich opnieuw ziek op 28 februari 2022 en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend met een dagloon van €104,91. Appellant stelde dat hij als medische afzakker moest worden beschouwd en dat de eerste ziektedag moest worden verlegd naar 28 maart 2013, wat zou leiden tot een hoger dagloon.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot verlegging van de eerste ziektedag buiten de omvang van het geding viel en dat appellant niet als medische afzakker kon worden aangemerkt. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant dit verzoek wel degelijk in bezwaar had gedaan en ging inhoudelijk op het verzoek in.

De Raad volgde het standpunt van het Uwv dat de maatstaf voor het dagloon de laatst verrichte arbeid is, namelijk het werk bij de laatste werkgever. Er was geen grond om de eerste ziektedag te verleggen naar 2013, mede omdat appellant zich na zijn werkhervatting in 2014 niet opnieuw ziek had gemeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het dagloon gehandhaafd.

Daarnaast werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerste ziektedag van 28 februari 2022 en het dagloon van €104,91 voor de Ziektewetuitkering, en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1508 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 juni 2025, 23/8055 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de eerste ziektedag heeft vastgesteld op 28 februari 2022 en de aan appellant met ingang van 3 oktober 2022 toegekende ZWuitkering terecht heeft gebaseerd op een dagloon van € 104,91. Volgens appellant moet de eerste ziektedag op 28 maart 2013 worden vastgesteld en moet in het verlengde daarvan het ZW-dagloon op een andere referteperiode worden gebaseerd en hoger worden vastgesteld. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat de toekenning van de ZW-uitkering per 3 oktober 2022 naar een dagloon van € 104,91 in stand blijft.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 februari 2026. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door mr. M. Tracey, kantoorgenoot van mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Appellant is op 1 december 2005 in dienst getreden bij [naam B.V.1] ” ( [B.V.1] ). Op 28 maart 2013 heeft hij zich ziekgemeld voor zijn werk als op dat moment internationaal accountmanager bij [B.V.1] met lichamelijke klachten veroorzaakt door colitis ulcerosa. Op 21 januari 2014 is appellant hersteld gemeld voor dit werk. Het dienstverband van appellant is op 31 mei 2016 geëindigd na het tekenen van vaststellingsovereenkomst. Vanaf 1 juni 2016 is aan appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Van 1 februari 2017 tot 1 februari 2019 heeft appellant gewerkt als accountmanager bij [naam B.V.2]
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker internationale klantenservice bij [naam B.V.3] voor gemiddeld 36 uur per week. Op 28 februari 2022 heeft hij zich ziekgemeld met toenemende klachten veroorzaakt door – wederom – colitis ulcerosa. Zijn dienstverband is op 1 oktober 2022 geëindigd. Het Uwv heeft appellant met ingang van 3 oktober 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 104,91. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit wat betreft de hoogte van het dagloon. Volgens appellant moet hij als zogenaamde medische afzakker worden beschouwd, omdat hij sinds 2016 stapsgewijs lager betaald werk is gaan verrichten in verband met zijn door colitis ulcerosa veroorzaakte gezondheidsproblemen. Bij beslissing op bezwaar van 22 december 2022 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.
1.2.
Bij brief van 9 januari 2023 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht hem als medische afzakker te beschouwen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een verzekeringsarts onderzoek gedaan. Bij besluit van 21 februari 2023 heeft het Uwv de toekenning van de ZW-uitkering naar het dagloon van € 104,91 gehandhaafd.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 13 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in deze zaak over het verzoek van appellant hem als medische afzakker te beschouwen en heeft het Uwv terecht geoordeeld dat appellant niet als zodanig kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft overwogen dat het verzoek van appellant om de eerste ziektedag te laten verleggen (naar het verleden), buiten de omvang van het geding valt, omdat appellant dit verzoek pas in beroep heeft gedaan. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv voor het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is uitgegaan van de laatste werkzaamheden die appellant heeft verricht voordat hij ziekengeld heeft aangevraagd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft herhaald dat hij als medische afzakker moet worden aangemerkt. Volgens appellant heeft hij voldoende onderbouwd dat hij vanaf 2016 om medische redenen lager betaald werk is gaan doen dan zijn werk bij [B.V.1] . De ziekmelding vanuit het lager betaalde werk als medewerker internationale klantenservice bij [naam B.V.3] ( [B.V.3] ) heeft uiteindelijk tot een arbeidsongeschiktheidsuitkering geleid. Volgens appellant moet de eerste ziektedag worden verlegd naar 28 maart 2013, de datum waarop hij uitviel voor het werk als internationaal accountmanager bij [B.V.1] . Appellant heeft erop gewezen dat hij het verzoek hiertoe al in bezwaar heeft gedaan.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ter zitting heeft het Uwv betoogd dat de maatstaf ZW het werk bij [B.V.3] is en dat de eerste ziektedag niet verlegd moet worden.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad stelt allereerst vast dat appellant, zoals hij ter zitting van de Raad heeft toegelicht, met zijn betoog dat hij een medisch afzakker is en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag verder in het verleden ligt dan 28 februari 2022, heeft beoogd dat voor de vaststelling van het dagloon voor de ZW- uitkering (en de aan hem per 24 februari 2024 toegekende IVA-uitkering) wordt uitgegaan van de gegevens van zijn dienstverband als internationaal accountmanager bij [B.V.1] voor 38 uur per week in plaats van de gegevens van zijn dienstverband als medewerker bij [B.V.3] voor gemiddeld 36 uur per week.
5.1.
In de aangevallen uitspraak is (alleen) beoordeeld of appellant is aan te merken als medische afzakker. Zoals ter zitting is vastgesteld, is het gebruik van de bewoordingen ‘medische afzakker’ ongelukkig geweest en heeft dit aanleiding gegeven tot misverstanden. In de juridische context wordt dit begrip gebruikt om de situatie te beschrijven waarin een werknemer met het oog op diens verslechterende gezondheid minder belastend, maar ook lager verlonende arbeid aanvaardt. Het gevolg daarvan is dat door de schattingssystematiek bij de lager verloonde maatmanarbeid minder snel sprake is van arbeidsongeschiktheid. In de rechtspraak is aangenomen dat in die situatie het eerdere, hoger verlonende werk als de maatmanarbeid kan gelden. Volgens vaste rechtspraak heeft dit echter geen gevolgen voor de berekening van het dagloon omdat daarvoor wordt uitgegaan van het laatste dienstverband. [1] Appellant heeft echter het begrip ‘medische afzakker’ gebruikt om aan te duiden dat het steeds slechter met zijn gezondheid is gegaan en dat die gezondheid al in 2013 zo slecht was dat hij twee jaar na in 2013 aanmerking had moeten worden gebracht voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Gelet op de inzet van het geding, namelijk een hoger dagloon en in verband daarmee en verschuiving van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, had de rechtbank de vraag of appellant moet worden aangemerkt als een medische afzakker in de hiervoor bedoelde zin onbesproken kunnen laten.
5.2.
De rechtbank heeft echter ten onrechte overwogen dat het verzoek van appellant om de eerste ziektedag te laten verleggen naar een datum in verleden, buiten de omvang van het geding valt. Anders dan de rechtbank heeft vastgesteld, heeft appellant in bezwaar al verzocht de eerste ziektedag op 28 maart 2013 vast te stellen. Appellant heeft dat verzoek gedaan in de gedachte dat aldus het dagloon van zijn huidige uitkering hoger zou kunnen worden. De Raad zal hier alsnog op ingaan.
5.3.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellant van 9 januari 2023 niet beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar heeft dit verzoek inhoudelijk beoordeeld en is daarbij ook toegekomen aan de door appellant gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
5.4.
Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat er geen grond is om de eerste ziektedag vast te stellen op 28 maart 2013 en in het verlengde daarvan een andere referteperiode voor het huidige dagloon voor de ZW. Dat zou mogelijk zijn als het verrichte werk bij [B.V.1] doorlopend de maatstafarbeid voor de ZW is gebleven. Gelet op het arbeidsverleden van appellant is dat echter niet het geval. Volgens de rechtspraak van de Raad, die mede is ingegeven door een veranderde opstelling van de wetgever, geldt dat de laatst verrichte arbeid zoals die werd verricht voor de uitval, de maatstaf is voor de vaststelling van de ZW-aanspraken. [2] Uit het dossier volgt dat appellant ernstige gezondheidsklachten heeft en inmiddels duurzaam beperkt is. Er is echter geen grond om af te wijken van het uitgangspunt dat de laatst verrichte arbeid voor [B.V.3] de maatstaf arbeid is. Er is dus geen grond de eerste ziektedag te verleggen naar 28 maart 2013.
5.5.
Naast dit uitgangspunt, en voor zover appellant heeft betoogd dat hij – ondanks zijn werkhervatting vanaf 21 januari 2014 – vanaf 28 maart 2013 doorlopend arbeidsongeschikt is gebleven, wordt nog overwogen dat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten zijn. In de periode na zijn werkhervatting tot zijn uitdiensttreding bij [B.V.1] heeft appellant zich nooit opnieuw ziekgemeld. Er is geen onderbouwing voor de stelling dat sprake was van een medische noodzaak om uit dienst te gaan bij [B.V.1] en per 31 mei 2016 ander werk te gaan doen. Tijdens zijn dienstverband bij [naam B.V.2] heeft appellant zich nooit ziekgemeld. Pas meer dan negen jaar na zijn hersteldverklaring bij [B.V.1] , tijdens zijn laatste dienstverband bij [B.V.3] , heeft appellant zich ziekgemeld.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met verbetering van gronden. Dit betekent dat de toekenning van de ZWuitkering per 3 oktober 2022 naar een dagloon van € 104,91 in stand blijft.
6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die appellant in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 3.736,-.
6.1.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 193,- aan appellant vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1456.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2785.