ECLI:NL:CRVB:2026:818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
24/2726 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 16 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 18 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 17 Wet financiering sociale verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste berekening dagloon WIA-uitkering ondanks laag inkomen appellant

Appellant heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van zijn dagloon voor de WIA-uitkering door het UWV, dat was vastgesteld op €4,91. Hij stelde dat zijn langdurige arbeidsverleden en betaalde premies een hogere uitkering rechtvaardigen, en dat ten minste het sociaal minimum toegekend had moeten worden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de referteperiode correct had vastgesteld van 8 november 2020 tot en met 7 november 2021, en dat alleen het loon in die periode bij werkgever 1 in aanmerking kon worden genomen. Loonloze maanden werden buiten beschouwing gelaten, waardoor het dagloon op €4,91 werd vastgesteld. De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die toepassing van het evenredigheidsbeginsel rechtvaardigen.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad volgde de rechtbank en het UWV. De Raad benadrukte dat de Wet WIA geen regeling bevat die een uitkering op het bestaansminimum garandeert en dat de berekeningssystematiek losstaat van de lengte van het arbeidsverleden. Het hoger beroep werd verworpen en de vaststelling van het dagloon bleef ongewijzigd.

De Raad wees appellant ook geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de wettelijke regels voor dagloonberekening en het beperkte speelveld voor afwijkingen op grond van het evenredigheidsbeginsel.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het dagloon van €4,91 voor de WIA-uitkering correct heeft vastgesteld en wijst het hoger beroep van appellant af.

Uitspraak

24/2726 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 november 2024, 24/1559 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv het dagloon van de per 18 december 2023 aan appellant toegekende WIA-uitkering terecht heeft vastgesteld op € 4,91. Appellant heeft aangevoerd dat hij in het verleden langdurig heeft gewerkt en premies heeft betaald voor de werknemersverzekeringen en dat de lage WIA-uitkering daarmee niet in verhouding is. Hij is van mening dat rekening moet worden gehouden met zijn gehele arbeidsverleden en dat tenminste een WIA-uitkering ter hoogte van het sociaal minimum had moeten worden toegekend. De Raad volgt appellant hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het dagloon juist heeft berekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 11 maart 2025 heeft mr. Ergec zich als gemachtigde onttrokken.
Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. Appellant heeft telefonisch aan de zitting deelgenomen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft van 21 juni 2021 tot en met 31 augustus 2021 gewerkt voor Randstad Uitzendbureau B.V. (werkgever 1). Vanaf 26 november 2021 heeft appellant gewerkt bij [naam B.V.] (werkgever 2). Op 2 december 2021 heeft hij zich ziekgemeld. Op 6 december 2021 was hij hersteld, maar na twee weken heeft hij zich weer ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd, heeft het Uwv bij besluit van 23 november 2023 aan appellant met ingang van 18 december 2023 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Het dagloon is hierbij (na indexering) vastgesteld op € 1,47.
1.2.
Bij besluit van 4 januari 2024 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is het dagloon juist berekend. Omdat appellant zich op 2 december 2021 heeft ziekgemeld, loopt de referteperiode voor de berekening van het dagloon van 8 november 2020 tot en met 7 november 2021. In de referteperiode had appellant vanaf 21 juni 2021 een dienstverband met werkgever 1. Het Uwv heeft daarom rekening gehouden met het sv-loon dat appellant in de periode van 21 juni 2021 tot en met 7 november 2021 van werkgever 1 heeft ontvangen en heeft dit gedeeld door 100 dagloondagen.
De beroepsprocedure bij de rechtbank
2.1.
Tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het Uwv op 23 september 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Gelet op de uitspraak van de Raad van 30 juli 2024 [1] heeft het Uwv voor de berekening van het dagloon de loonloze kalendermaanden juli, september, oktober en november 2021 buiten beschouwing gelaten. Het sv-loon dat appellant heeft genoten bij werkgever 1 is gedeeld door 30 dagloondagen en het dagloon is vastgesteld op € 4,91. Het bezwaar is in zoverre alsnog gegrond verklaard.
2.2.1.
Appellant is het niet eens met bestreden besluit 2. Het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft appellant ingetrokken. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Wel heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant. De rechtbank heeft als volgt overwogen.
2.2.2.
Op grond van artikel 13 van Pro de Wet WIA en de artikelen 13 en 16 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) wordt het dagloon berekend op grond van het loon dat de werknemer verdiende in de referteperiode; de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Het Uwv heeft de referteperiode in dit geval terecht vastgesteld op de periode van 8 november 2020 tot en met 7 november 2021, de periode van één jaar die eindigt op de eerste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de eerste ziektedag 2 december 2021 is gelegen. Omdat appellant echter pas op 21 juni 2021 is gestart bij werkgever 1 en omdat sprake is geweest van loonloze periodes heeft het Uwv voor de berekening van het dagloon het aantal dagloondagen in deze periode beperkt tot 30 in plaats van 261 dagen. Het is niet mogelijk om de referteperiode te verleggen of uit te breiden. Uit de stukken blijkt dat appellant in de referteperiode alleen inkomsten heeft gehad bij werkgever 1. Het loon dat appellant bij werkgever 2 heeft verdiend, is van na de referteperiode. Het Uwv heeft het dagloon dan ook terecht alleen gebaseerd op de inkomsten die appellant bij werkgever 1 heeft genoten.
2.2.3.
Over het beroep door appellant op het evenredigheidsbeginsel heeft de rechtbank overwogen dat uit de uitspraak van de Raad van 25 juli 2024 [2] volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau bepalend is het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de referteperiode die geldt voor de Wet WIA (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat geen rekening wordt gehouden met vóór de referteperiode genoten inkomsten. Uit deze uitspraak volgt verder dat wanneer het zoals hier gaat om een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, bijzondere omstandigheden kunnen maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval voor een belanghebbende zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk (‘onder de streep’) moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Er zijn volgens de rechtbank in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die maken dat bestreden besluit 2 voor appellant onredelijk bezwarend is. Het feit dat het dagloon van appellant wordt gebaseerd op zijn (geringe) inkomsten in juni en augustus kan niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat appellant een WIA-uitkering op bijstandsniveau wenst, maar de Wet WIA geen regeling bevat die dat garandeert. Bovendien heeft appellant ter zitting gesteld dat hij een aanvullende bijstandsuitkering krijgt van circa € 900,- per maand. De rechtbank is er daarom van uitgegaan dat appellant een inkomen op bijstandsniveau heeft.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij in het verleden langdurig heeft gewerkt en premies heeft betaald voor de werknemersverzekeringen. De lage WIA-uitkering die het Uwv aan hem heeft toegekend staat daarmee niet in verhouding. Volgens appellant had het Uwv daarom op grond van het evenredigheidsbeginsel moeten afwijken van de wettelijke berekeningssystematiek en alsnog rekening moeten houden met zijn gehele arbeidsverleden. Er had tenminste een WIA-uitkering moeten worden toegekend ter hoogte van het sociaal minimum.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluit 2 over de vaststelling van het dagloon in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van bestreden besluit 2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv het dagloon juist heeft berekend en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Zoals de Raad ook heeft overwogen in de door de rechtbank genoemde uitspraak van 25 juli 2024 staat de wijze waarop het dagloon wordt berekend los van de lengte van het arbeidsverleden als zodanig en het daarin verdiende inkomen en is in de Wet WIA geen regeling opgenomen die een uitkering op het bestaansminimum garandeert.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de vaststelling van het dagloon van de WIA-uitkering op € 4,91 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) G.T. Hunsel

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 13 van Pro de Wet WIA:
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
Artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit:
Het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of Pro 15 heeft genoten, wordt vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, «261» te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

Voetnoten

1.CRvB 30 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1525.
2.CRvB 25 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1537.