ECLI:NL:CRVB:2026:799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen korting op AOW-pensioen wegens verzekeringsperiode
Appellant betwistte de korting van 16% op zijn AOW-pensioen, omdat de Sociale Verzekeringsbank (Svb) niet uitging van het pensioenoverzicht uit 2016 waarin hij verzekerd werd geacht vanaf 24 augustus 1979. De Svb stelde dat appellant pas vanaf 5 november 1981 verzekerd was, omdat hij toen pas in het bevolkingsregister van Amsterdam was ingeschreven en geen bewijs had van verblijf of werk in Nederland daarvoor.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd van verblijf of werk in Nederland in de betwiste periode en dat het vertrouwensbeginsel niet opging. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de Svb onvoldoende en niet deugdelijk had gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling in het pensioenoverzicht onjuist was. De Raad stelde vast dat appellant een verklaring van de GGD had overgelegd waaruit bleek dat hij in de betwiste periode in Nederland verbleef en behandeld werd voor longtuberculose. Ook was er een verklaring van een voormalige collega en bewijs van inschrijving bij het Marokkaanse consulaat.
Op grond van het vertrouwensbeginsel moest de Svb uitgaan van de in het pensioenoverzicht vermelde verzekeringsperiode. De Raad vernietigde het bestreden besluit en kende appellant vanaf 17 september 2023 een AOW-pensioen toe van 90% van het maximale pensioen. Tevens werd de Svb veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep kent appellant een AOW-pensioen toe van 90% van het maximale pensioen vanaf 17 september 2023 en vernietigt het besluit van de Svb dat een korting toepaste.