ECLI:NL:CRVB:2026:792

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
23/361 TOZO-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 PWArt. 58 lid 2 PWArt. 58 lid 6 PWArt. 58 lid 8 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand TOZO ondanks beroep op evenredigheidsbeginsel

Appellant ontving tussen maart 2020 en september 2021 algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO). Het college van burgemeester en wethouders van Best verstrekte voorschotten voor de huur en verrekende deze met de bijstand. Later werd vastgesteld dat voorschotten over augustus en september 2020 niet waren verrekend, waarna het college een bedrag van €1.906,13 terugvorderde.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de terugvordering onevenredig was en dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, mede vanwege zijn precieze financiële situatie en de lange termijn tussen betaling en terugvordering. De Raad oordeelde dat het college een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt en binnen de wettelijke vervaltermijn van twee jaar was gebleven.

De Raad benadrukte dat het beroep op dringende redenen niet verder gaat dan een toets op evenredigheid, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden meegewogen. Omdat appellant zijn financiële situatie niet had toegelicht, kon geen sprake zijn van een onevenwichtige belangenafweging. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde bijstand en wijst het beroep af wegens onvoldoende onderbouwing van het evenredigheidsbeginsel.

Uitspraak

23/361 TOZO-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2022, 22/1448 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Best (college)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Zitting heeft: A.M. Overbeeke als voorzitter, O.L.H.W.I. Korte en C. Karman als leden
Griffier: A.T. Dannenberg
Voor appellant is mr. A. Aïssal, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van Bree.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1. Appellant heeft in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2021 algemene bijstand ontvangen op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers. Het college heeft appellant in de maanden april 2020 tot en met september 2020 desgevraagd en uit coulance-overwegingen voorschotten verstrekt, omdat appellant de maandelijkse huur op een eerder moment moest voldoen dan de bijstand werd uitbetaald. Het college heeft de voorschotten over de maanden april 2020 tot en met juli 2020 verrekend met de bijstand.
1.2. Met een besluit van 30 december 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 20 mei 2022 (bestreden besluit), heeft het college de per abuis niet verrekende voorschotten over de maanden augustus en september 2020 tot een bedrag van € 1.906,13 van appellant teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (PW). Omdat appellant geen verwijt kan worden gemaakt, heeft het college de vordering niet gebruteerd.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
4. Appellant heeft in hoger beroep alleen nog aangevoerd dat hij onevenredig in zijn belangen wordt geschaad en dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zijn financiële situatie is precair en daarbij heeft het college lang gewacht alvorens een terugvorderingsbesluit te nemen.
4.1. De terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW, betreft een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een belangenafweging moet maken. De grond dat appellant door de terugvordering onevenredig in zijn belangen is geschaad, vat de Raad op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
4.2. Het college heeft gesteld dat de evenredigheid in acht is genomen. Hierbij heeft het college gewezen op het belang van het college om de terugvordering te handhaven en toegelicht dat gemeenschapsgeld goed moet worden besteed. Appellant had geen recht op én een voorschot én een uitkering. Omdat appellant geen verwijt kan worden gemaakt, is de vordering niet gebruteerd. Verder wordt appellant bij de invordering beschermd door de beslagvrije voet en kan hij gebruik maken van een coulante terugbetalingsregeling.
4.3. Hiermee heeft het college geen blijk gegeven van een onevenwichtige belangenafweging. Appellant heeft weliswaar gesteld dat zijn financiële situatie precair is, maar hij heeft dit op geen enkele wijze toegelicht en onderbouwd. Dat het college ruim een jaar na de onverschuldigde betaling heeft teruggevorderd, maakt niet dat de vordering is opgelopen. Bovendien is het college met het terugvorderingsbesluit gebleven binnen de vervaltermijn van twee jaar zoals bedoeld in artikel 58, zesde lid, van de PW.
5. Het beroep van appellant op de dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW slaagt niet. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht [1] , moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. [2] In het kader van de evenredigheidstoets zijn alle belangen en alle relevante feiten en omstandigheden al betrokken, zoals volgt uit 4.2 en 4.3. De verruimde uitleg in de rechtspraak van de dringende redenen gaat niet verder dan deze toets op de evenredigheid.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) A.T. Dannenberg (getekend) A.M. Overbeeke