Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:751

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
24/543 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake terugvordering bijstand ondanks misslag dictum

Appellant kreeg bijstandsintrekking en terugvordering opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg vanwege onvoldoende inzicht in verblijf in het buitenland. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het bestreden besluit voor een deel van de terugvordering. Vervolgens deed de rechtbank twee hersteluitspraken om een misslag in het dictum te corrigeren.

Appellant betwistte de hersteluitspraken en stelde dat de rechtbank onjuist had beslist over de terugvorderingsperiode. De Centrale Raad van Beroep constateerde dat het dictum ook na hersteluitspraken niet volledig juist was, maar dat appellant geen belang had bij verdere correctie omdat het college de onjuiste conclusie zelf al had gecorrigeerd zonder nadeel voor appellant.

De Raad oordeelde dat vernietiging van een uitspraak wegens een misslag in het dictum alleen is aangewezen als het belang van de betrokkene daarmee wordt gediend. Omdat appellant dit belang niet aannemelijk maakte en het college de fout had hersteld, wees de Raad het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af wegens ontbreken van belang bij verdere correctie.

Uitspraak

24/543 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2024, 22/5106 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Frankrijk (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 2 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een misslag in het dictum van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft twee hersteluitspraken gedaan, namelijk op 7 juni 2024 en 3 juli 2024. Ook na deze twee hersteluitspraken is de misslag in het dictum niet volledig juist gecorrigeerd. Niet valt in te zien hoe het verder corrigeren van de beslissing enig belang van appellant kan dienen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G.M. de Ruijter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het college heeft een reactie gegeven op de nadere stukken.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het college heeft met besluiten van 20 mei 2022 en 23 mei 2022 de bijstand van appellant ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 1 januari 2019 tot 1 september 2021. De hoogte van de terugvordering bedraagt € 45.944,76. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant zijn verblijf in het buitenland onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt.
1.2.
Met een besluit van 22 september 2022 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 20 mei 2022 en 23 mei 2022 deels gegrond verklaard. Het college beperkt de intrekking en terugvordering tot de maanden januari 2021, februari 2021, mei 2021, juli 2021 en augustus 2021. Daarnaast stelt het college de hoogte van de terugvordering vast op € 7.177,06. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat over de periode van 1 januari 2019 tot 12 januari 2021 niet kan worden vastgesteld dat appellant in het buitenland is geweest en de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Over de periode van 12 januari 2021 tot 1 september 2021 heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden vanwege het niet melden van verblijf in het buitenland. Het college kan de maximale termijn van dat verblijf niet vaststellen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de terugvordering over de periode van 1 januari 2021 tot 12 januari 2021 en de terugvordering over de periode van 1 januari 2021 tot 12 januari 2021 vastgesteld op € 6.569,54. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat in het verweerschrift en ter zitting door het college is bevestigd dat de periode van 1 januari 2021 tot 12 januari 2021 per abuis is meegenomen bij de herberekening van de terugvordering. Hierdoor staat vast dat het teruggevorderde bedrag te hoog is vastgesteld. De terugvordering kan voor wat betreft deze periode dan ook niet in stand blijven. De terugvordering van de bijstand over deze periode heeft immers geen deugdelijke grondslag.
2.1.
De rechtbank heeft vervolgens op 7 juni 2024 een hersteluitspraak gedaan ter verbetering van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat gebleken is dat het onder het kopje ‘beslissing’ van de aangevallen uitspraak abusievelijk is opgenomen dat de terugvordering over de periode van 1 januari 2021 tot 12 januari 2012 wordt vastgesteld op een bedrag van € 6.568,54. Uit de overwegingen volgt dat hier een verkeerde periode is genoemd. De terugvordering van een bedrag van € 6.568,54 heeft betrekking op de periode van 1 januari 2019 tot 1 januari 2021. De rechtbank herstelt de aangevallen uitspraak aldus dat de terugvordering over de periode van 1 januari 2019 tot 1 januari 2021 wordt vastgesteld op € 6.568,54.
2.2.
De rechtbank heeft op 3 juli 2024 een hersteluitspraak gedaan ter verbetering van de hersteluitspraak van 7 juni 2024. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat gebleken is dat onder rechtsoverweging 2 van de hersteluitspraak van 7 juni 2024 abusievelijk is opgenomen dat de terugvordering over de periode van 1 januari 2019 tot 1 januari 2021 wordt vastgesteld op € 6.568,54. Uit de overwegingen van de aangevallen uitspraak volgt dat hier een verkeerde periode is genoemd. De terugvordering van een bedrag van € 6.568,54 heeft betrekking op de maanden januari 2021, februari 2021, mei 2021, juli 2021 en augustus 2021. De rechtbank herstelt de hersteluitspraak van 7 juni 2024 aldus dat de terugvordering over de periode van januari 2021, februari 2021, mei 2021, juli 2021 en augustus 2021 wordt vastgesteld op € 6.568,54.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de (herstel)uitspraken van de rechtbank niet eens. Volgens appellant had de rechtbank dienen te beslissen dat de intrekking en terugvordering over de periode van 1 januari 2021 tot 12 januari 2021 wordt vernietigd en het bedrag aan terugvordering over de resterende periode, 12 januari 2021 tot en met 31 januari 2021, februari 2021, mei 2021, juli 2021 en augustus 2021, wordt vastgesteld op € 6.568,54. De rechtbank heeft een onjuiste terugvorderingsperiode genoemd. Ook de hersteluitspraken zijn niet in overeenstemming met de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Uit rechtsoverweging 8 van de aangevallen uitspraak volgt dat over de periode van 1 januari 2021 tot 12 januari 2021 de bijstand ten onrechte is ingetrokken en teruggevorderd.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het dictum van de aangevallen uitspraak, ook na twee hersteluitspraken, niet juist is. De Raad stelt voorts vast dat de hersteluitspraken geen motivering bevatten waarom de terugvordering ten gunste van appellant met één euro is verlaagd.
4.1.
In beginsel wordt een uitspraak van een voorgaande rechter vernietigd in het geval de (neven)beslissingen van deze uitspraak onjuist zijn. Het is echter vaste rechtspraak dat vernietiging van een door de voorgaande rechter gedane uitspraak wegens een (vermeende) misslag in het dictum slechts is aangewezen indien de belangen van de betrokkene daarmee kunnen worden gediend [1] In dit geval heeft appellant geen belang bij verder herstel van de aangevallen uitspraak. Het college heeft te kennen gegeven dat het de onjuiste conclusie van de rechtbank zelf al heeft gecorrigeerd en dat dit niet ten nadele van appellant is gekomen. Appellant heeft dit niet bestreden. Gelet op de hersteluitspraken en de onbestreden mededeling van het college valt niet in te zien hoe het verder corrigeren van het dictum van de aangevallen uitspraak enig belang van appellant kan dienen. De Raad ziet daarom geen aanleiding voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1963, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3113.