ECLI:NL:CRVB:2026:747

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/1143 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 Wet WIAArt. 55 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na 7 juli 2020

Appellant, die sinds 2017 psychische klachten heeft, vroeg een WIA-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na melding van een vermeende verslechtering van zijn psychische toestand in 2022, ondersteund door verklaringen van behandelaars, stelde een verzekeringsarts van het UWV vast dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor een toename van beperkingen na 7 juli 2020.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrouwbaar waren. De rechtbank zag geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen, mede omdat de diagnose ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken niet werd bevestigd door objectieve bevindingen.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende waarde was toegekend aan de verklaring van zijn psychiater en dat de medicatie duidde op een ernstiger psychiatrisch beeld. De Raad volgde dit niet en stelde dat de combinatie van medicatie ook bij een matige depressie kan worden toegepast. De Raad concludeerde dat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling en wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen verslechtering na 7 juli 2020.

Uitspraak

25/1143 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 april 2025, 23/3808 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellant met ingang van 21 maart 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend omdat de mogelijkheden van appellant om te werken na 7 juli 2020 niet minder zijn geworden. Volgens appellant heeft hij aangetoond dat zijn psychische klachten zijn verslechterd, dat hij meer beperkt is dan is beschreven in de FML van 24 november 2020 dan wel dat er zodanig twijfel is over zijn belastbaarheid dat de Raad een onafhankelijke deskundige zou moeten benoemen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft geweigerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.R.G. Keijzer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Keijzer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als elektromonteur voor gemiddeld 38,47 uur per week. Op 3 april 2017 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Een verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 november 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 18,15%. Bij besluit van 22 december 2020 heeft het Uwv geweigerd appellant per 7 juli 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 14 april 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. Dit besluit is na beroep en hoger beroep in rechte vast komen te staan. [1]
1.2.
Appellant heeft op 21 maart 2022 aan het Uwv gemeld dat zijn medische situatie is verslechterd. Ter ondersteuning van zijn melding heeft hij een ongedateerde brief van psychiater [naam psychiater 1] , GZ-psycholoog [naam GZ-psycholoog 1] en psycholoog [naam GZ-psycholoog 2] ingezonden, waarin is vermeld dat bij appellant sprake is van een geagiteerde depressie, ernstig met psychotische kenmerken. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft eigen onderzoek verricht, de brief van psychiater [naam psychiater 1] bestudeerd en vastgesteld dat er na 7 juli 2020 geen datum is aan te nemen waarop de bestaande klachten en beperkingen van appellant zijn toegenomen. Bij besluit van 21 oktober 2022 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 7 juli 2020 geen WIA-uitkering kan krijgen omdat zijn mogelijkheden om te werken niet minder zijn geworden.
1.3.
Bij besluit van 1 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond en de dossierstukken bestudeerd, waaronder een door appellant ingezonden overzicht van zijn medicatie en opgevraagde informatie bij de huisarts van appellant, met bijgevoegd informatie van 13 november 2020 van psychiater [naam psychiater 2] en de informatie van GZ-psycholoog [naam GZ-psycholoog 1] van 11 mei 2023. In haar rapport van 5 juni 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschreven dat appellant al vanaf 2017 persisterende psychische klachten heeft samenhangend met psychosociale stressoren die blijven bestaan en de klachten in stand houden. De psychische klachten bestaan hoofdzakelijk uit depressieve stemmingen, snelle boosheid, woede-uitbarstingen, het niet kunnen omgaan met stress en slaapproblemen. Op de datum in geding en rond de datum melding verslechtering medische situatie zijn er geen medische gegevens die duiden op een evidente wijziging in het psychiatrisch toestandsbeeld ten opzichte van het medisch onderzoek in november 2020. Het gegeven dat de behandelaars van appellant bij [naam GZ-psycholoog 2] de psychische klachten van appellant duiden als ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken, brengt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet mee dat er meer beperkingen gesteld moet worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep benadrukt dat de aard of de ernst van een diagnose en de subjectieve en ervaren klachten niet doorslaggevend zijn bij een WIA-beoordeling. In de verkregen informatie van GZ-psycholoog [naam GZ-psycholoog 1] wordt de diagnose ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken gehanteerd maar niet nader onderbouwd met geobjectiveerde bevindingen bij psychiatrisch onderzoek. Uit de informatie komt niet naar voren welke psychopathologie bij appellant speelt. Ook worden er geen psychotische verschijnselen beschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tijdens de hoorzitting geen aanwijzingen gevonden voor ernstige psychiatrische symptomen. De frequentie van de behandeling bij de psychiater, één keer per maand, en bij de psycholoog, twee keer per maand, wijst niet op een wezenlijke verslechtering van het psychiatrisch toestandsbeeld ten opzichte van 2020. De dosering van de medicatie evenmin. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beschreven dat de medicatie van appellant rond maart 2022 en daarna klachtcontingent is aangepast, wat slechts aantoont dat de medicatie onvoldoende effect heeft op de klachten van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom geen aanleiding gezien de voor appellant per einde wachttijd vastgestelde FML van 24 november 2020 te wijzigen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die in bezwaar en beroep zijn uitgebracht en heeft de daarin gegeven toelichting navolgbaar geacht. Naar aanleiding van het in beroep ingebrachte verslag van het psychiatrisch onderzoek naar appellant door psychiater [naam psychiater 1] is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 21 januari 2025 inzichtelijk gerapporteerd dat er een discrepantie is tussen de gestelde DSM-5 diagnose (geagiteerde depressie, ernstig met psychotische kenmerken) en de beschrijvende diagnose en waarom het psychiatrisch onderzoek bevestigt dat er geen reden is om de diagnose geagiteerde depressie, ernstig met psychotische kenmerken te stellen. Tijdens de anamnese is kort gesproken over het feit dat appellant af en toe stemmen hoort, maar in het psychiatrisch onderzoek staat ook beschreven dat er geen sprake is van manifest hallucinatoir gedrag. In de beschrijvende diagnose wordt ook niets vermeld over eventuele psychotische kenmerken. Verder is de behandeling van appellant door middel van sertraline en quetiapine ook passend bij de behandeling van een depressieve stoornis. Ook al is quetiapine een antipsychoticum, in deze dosering wordt het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep juist gebruikt als een antidepressivum. Daarbij is het geen bewijs dat appellant psychotische klachten heeft als er in een anamnese door betrokkene gezegd is dat hij stemmen hoort, maar daar verder niet op wil ingaan. De opgevraagde informatie bevestigt daarmee het standpunt dat er geen sprake is van een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft gesteld geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Ten aanzien van het beroep van appellant op de uitspraak van Raad van 27 februari 2020, [2] heeft de rechtbank overwogen dat hij appellant niet volgt in zijn standpunt dat zijn zaak vergelijkbaar is met de zaak die beschreven is in die uitspraak.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat onvoldoende gewicht is toegekend aan de verklaring van zijn psychiater [naam psychiater 1] , waarin is vermeld dat bij hem sprake is van een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken conform DSM-5. De rechtbank heeft te veel waarde gehecht aan de omstandigheid dat in die verklaring geen uitgebreide beschrijving is gegeven van de psychotische kenmerken van appellant. Dit doet geen recht aan het gezag van de behandelend psychiater die een diepgaande expertise heeft op psychiatrisch terrein, terwijl een verzekeringsarts bezwaar en beroep geen specialist is. Verder dient de kwalificatie ‘ernstig’ bij de depressieve stoornis te leiden tot aanpassing van de FML. Appellant vindt hiervoor steun in het Claim Beoordelings- en Borgingssyteem. Appellant is het niet eens met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de behandeling met sertraline en quetiapine ook passend is bij de behandeling van een depressieve stoornis. Appellant betwist dat de door hem gebruikte doseringen uitsluitend als antidepressivum worden ingezet, en stelt dat de combinatie van medicatie juist wordt aanbevolen bij een psychotische depressie. Appellant wijst ter toelichting naar de Nederlandse richtlijn Depressie van de Federatie Medisch Specialisten waarbij bij een psychotische depressie als eerste stap een combinatie van een antidepressivum en een antipsychoticum wordt aanbevolen. Appellant heeft aangevoerd dat deze medicatie van invloed is op rijgeschiktheid en de beperking voor verhoogd persoonlijk risico aanpassing behoeft. Ook dient een urenbeperking gesteld te worden. Appellant heeft, mede onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 februari 2020, [3] aangevoerd dat hij voldoende twijfel heeft gezaaid ten aanzien van de juistheid van het standpunt van het Uwv en heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 april 2026 verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Op grond van artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA ontstaat, indien op de dag bedoeld in artikel 54, tweede lid geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan, het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, indien hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
6.1.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
6.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 5 juni 2023, 29 augustus 2023 en 21 januari 2025 gemotiveerd en navolgbaar toegelicht waarom er geen aanwijzingen zijn dat het medisch toestandsbeeld van appellant ten opzichte van 7 juli 2020 is verslechterd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 5 juni 2023 en 29 augustus 2023 beschreven dat uit de informatie van de behandelaars van appellant bij [naam GZ-psycholoog 2] en zijn huisarts niet naar voren komt dat er sprake is van psychiatrische symptomen zoals ernstige stoornissen in cognitieve, conatieve en affectieve functies of een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld. Dergelijke afwijkingen of psychotische verschijnselen, worden niet beschreven en zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook bij eigen onderzoek niet geobjectiveerd. Ook wijst de laagfrequentie van de gesprekken met de psychiater rond maart 2022, één keer per maand bij de psychiater en twee keer per maand bij de psycholoog, niet op een wezenlijke verslechtering van het medisch toestandsbeeld ten opzichte van 7 juli 2020. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat de ernst van een psychiatrisch toestandsbeeld niet kan worden afgeleid uit de dosering en hoogte van medicatie.
6.3.
Naar aanleiding van de beroepsgrond van appellant in hoger beroep dat een combinatie van een antidepressivum en antipsychoticum de eerste stap is in de behandeling bij een psychotische depressie, in welk verband appellant verwezen heeft naar de Nederlandse richtlijn Depressie van de Federatie Medisch specialisten, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 14 april 2026 gerapporteerd dat dit klopt, maar dat dat in dezelfde richtlijn is vermeld dat deze combinatie ook een behandelstap is bij een matige depressieve stoornis. Onder het kopje Algoritme(s) voor de behandeling van depressie staat beschreven bij Figuur 8.2 dat als een SSRI (bijvoorbeeld sertraline) onvoldoende werkt, als derde stap toevoeging van een atypisch antipsychoticum (bijvoorbeeld quetiapine) overwogen kan worden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan op basis van een behandeling met deze medicamenten dus niet gezegd worden dat er sprake moet zijn van een psychotische depressieve stoornis. Het Uwv heeft hiermee afdoende onderbouwd dat niet is gebleken dat het medisch toestandsbeeld van appellant is verslechterd ten opzichte van 7 juli 2020.
6.4.
Bij het ontbreken van twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit is er geen reden om een deskundige te benoemen. Het verzoek daartoe van appellant wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

6.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.CRvB 4 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1843.
2.CRvB 27 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:494.
3.CRvB 27 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:494.