ECLI:NL:CRVB:2026:747
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na 7 juli 2020
Appellant, die sinds 2017 psychische klachten heeft, vroeg een WIA-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na melding van een vermeende verslechtering van zijn psychische toestand in 2022, ondersteund door verklaringen van behandelaars, stelde een verzekeringsarts van het UWV vast dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor een toename van beperkingen na 7 juli 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrouwbaar waren. De rechtbank zag geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen, mede omdat de diagnose ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken niet werd bevestigd door objectieve bevindingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende waarde was toegekend aan de verklaring van zijn psychiater en dat de medicatie duidde op een ernstiger psychiatrisch beeld. De Raad volgde dit niet en stelde dat de combinatie van medicatie ook bij een matige depressie kan worden toegepast. De Raad concludeerde dat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling en wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen verslechtering na 7 juli 2020.