ECLI:NL:CRVB:2026:741
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen van beëindiging ZW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante was werkzaam als officemanager en meldde zich in september 2009 ziek vanwege spanningsklachten na een traumatische ervaring. Haar ZW-uitkering werd per 11 augustus 2010 beëindigd na een herbeoordeling door het UWV. Appellante verzocht meerdere malen om terug te komen van dit besluit, stellende dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren, waaronder medische rapporten uit 2021-2023 die haar aanhoudende psychische klachten bevestigen.
Het UWV wees deze verzoeken af omdat de nieuwe informatie niet ziet op de situatie in 2010 en er geen sprake is van nieuwe feiten in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het besluit niet evident onredelijk was genomen. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat de aangevoerde medische stukken en krantenartikelen geen nieuwe feiten of omstandigheden vormen die terugkomen van het besluit rechtvaardigen. Ook was het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen ongegrond. De Raad bevestigde dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist is en dat de weigering om terug te komen terecht is gehandhaafd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding. De Raad benadrukte dat de beoordeling zich beperkt tot nieuwe feiten en niet tot een hernieuwde inhoudelijke discussie over het oorspronkelijke besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering om terug te komen van het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd.