ECLI:NL:CRVB:2026:740

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
24/2381 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZWArt. 29 ZWArt. 7:629 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning ZW-uitkering zonder maatregel na ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding

In deze zaak staat centraal of het UWV terecht een ZW-uitkering heeft toegekend aan ex-werknemer vanaf 1 oktober 2021 zonder oplegging van een maatregel. Appellante betoogde dat ex-werknemer een benadelingshandeling heeft gepleegd door tijdens ziekte met verkoudheidsklachten op het werk te verschijnen en een verstoorde arbeidsverhouding te veroorzaken, waardoor een maatregel opgelegd had moeten worden.

De rechtbank oordeelde dat hoewel het gedrag van ex-werknemer verwijtbaar was, dit niet zodanig ernstig was dat het einde van de arbeidsovereenkomst voorzienbaar was. Ook het niet voeren van hoger beroep tegen de ontbinding werd niet als benadelingshandeling aangemerkt. De Raad volgt dit oordeel en bevestigt dat het UWV terecht geen maatregel heeft opgelegd.

De Raad benadrukt dat ex-werknemer zich weliswaar verwijtbaar heeft gedragen, maar dat dit niet leidt tot het verlies van recht op ziekengeld. De langdurige dienstbetrekking en het feit dat ex-werknemer zich inhoudelijk heeft verweerd tegen de ontbinding spelen hierbij een rol. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een ZW-uitkering heeft toegekend zonder maatregel wegens het ontbreken van een benadelingshandeling.

Uitspraak

24/2381 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2024, 22/2704 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats], als rechtsopvolger van [naam bedrijf B.V.], (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[naam ex-werknemer] te [woonplaats] (ex-werknemer)
Datum uitspraak: 2 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht ex-werknemer een ZW-uitkering heeft toegekend vanaf 1 oktober 2021. Volgens appellante is ten onrechte geen gehele en blijvende maatregel opgelegd, omdat sprake is van een benadelingshandeling die exwerknemer kan worden verweten. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen maatregel heeft opgelegd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.L.M. Schneider, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
[naam ex-werknemer], ex-werknemer, heeft als belanghebbende aan de procedure deelgenomen. Mr. L. Wimmenhove heeft voor ex-werknemer een reactie ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 april 2026. Namens appellante is [persoon] verschenen, bijgestaan door mr. Schneider. Het Uwv is niet verschenen. Namens ex-werknemer is mr. Wimmenhove verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Ex-werknemer was sedert december 1999 bij appellante werkzaam als [naam functie]. Op 8 juli 2020 heeft hij zich ziekgemeld na een operatie aan zijn voet, waarna hij na enkele maanden is begonnen met re-integreren bij appellante. Op 15 maart 2021 is hij met verkoudheidsklachten op het werk verschenen. Op 17 maart 2021 is hij positief getest op het coronavirus.
1.2.
Op 6 augustus 2021 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2021 ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Ex-werknemer heeft vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aangevraagd. Het Uwv heeft de aanvraag onderzocht en heeft met een besluit van 26 november 2021 ex-werknemer een ZW-uitkering toegekend, waarbij als maatregel een blijvend gehele weigering van ziekengeld is opgelegd in verband met het plegen van een benadelingshandeling.
1.3.
Ex-werknemer heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Appellante heeft als belanghebbende deelgenomen aan de bezwaarprocedure. Het Uwv heeft bij brief van 13 april 2022 het voornemen geuit om de beslissing te wijzigen, in die zin dat ex-werknemer vanaf 1 oktober 2021 recht heeft op een ZW-uitkering en er wordt afgezien van het opleggen van een maatregel. Volgens het Uwv is er onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van verwijtbaar handelen van de ex-werknemer omdat deze niet – zoals bij het primaire besluit nog werd verondersteld – op staande voet is ontslagen.
1.4.
Bij besluit van 4 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het gemaakte bezwaar gegrond verklaard en beslist overeenkomstig het voornemen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op alle omstandigheden die tot de beëindiging van de dienstbetrekking hebben geleid, moet worden geoordeeld dat van een benadelingshandeling geen sprake is. Met zijn handelwijze tijdens de coronapandemie heeft ex-werknemer gehandeld in strijd met richtlijnen van appellante en van de landelijke overheid. Dit, alsmede zijn ontwijkende opstelling, heeft geleid tot een verstoring van de arbeidsverhouding en daardoor tot een beëindiging van de dienstbetrekking. Echter kan niet worden geoordeeld dat het voorzienbare gevolg van deze handelwijze een beëindiging van de dienstbetrekking zou zijn. Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt dat ex-werknemer verweer heeft gevoerd tegen de beëindiging van zijn dienstbetrekking, zodat van een situatie als bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de ZW geen sprake is. Omdat ex-werknemer geen benadelingshandeling heeft gepleegd, kunnen de vragen naar de mate van verwijtbaarheid en of een andere maatregel getroffen had moeten worden, buiten beschouwing blijven. Dit betekent dat het Uwv terecht ex-werknemer per 1 oktober 2021 een ZW-uitkering heeft toegekend, zonder oplegging van een maatregel.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat ex-werknemer wel degelijk een benadelingshandeling heeft gepleegd, omdat hij had kunnen voorzien dat het tijdens zijn arbeidsongeschiktheid door hem vertoonde gedrag tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst kon leiden. Het gaat daarbij niet alleen om het met verkoudheidsklachten op het werk verschijnen, terwijl duidelijk was dat dit tijdens de coronapandemie niet was toegestaan, maar ook om zijn houding in de periode daarna. Zo heeft ex-werknemer nooit enige verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, heeft hij nooit enig berouw getoond en heeft hij nooit enige poging gedaan om het vertrouwen van zijn leidinggevende en collega’s terug te winnen. Ook tijdens de procedure bij de kantonrechter heeft ex-werknemer geen zelfreflectie getoond en heeft hij collega’s beschuldigd van het verspreiden van leugens. Dit is verwijtbaar. Voorts zijn door appellante in hoger beroep nog gespreksverslagen uit de periode 2002-2012 ingebracht waaruit volgens appellante blijkt van een patroon van ‘gedrags- en performance-issues’ van de ex-werknemer. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat ex-werknemer onvoldoende verweer heeft gevoerd tegen zijn ontslag. Hij is niet in hoger beroep gegaan tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het ging hem bij de kantonrechter slechts om een mogelijke ontslagvergoeding. Er is daarmee sprake van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de ZW.
Het standpunt van het Uwv en ex-werknemer
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ook exwerknemer heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 45, eerste lid, onder j, van de ZW weigert het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. Op grond van het tweede lid wordt de maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak is sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 van Pro het Burgerlijk Wetboek, ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd.
5.3.
In artikel 45, zevende lid, van de ZW is opgenomen dat onder benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, mede wordt verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de ZW.
5.4.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat geen sprake is van een benadelingshandeling. Ex-werknemer is in de corona-periode op 15 maart 2021 verkouden op zijn werk verschenen en is, ondanks aandringen van collega’s, niet naar huis gegaan. Pas op 16 maart 2021 heeft ex-werknemer zich ziekgemeld en de volgende dag heeft hij zich (positief) laten testen op het coronavirus. Appellante heeft naar aanleiding van deze gedragingen op 29 maart 2021 aan ex-werknemer een vaststellingsovereenkomst aangeboden om het dienstverband te beëindigen. Ex-werknemer heeft geweigerd deze te ondertekenen. Appellante heeft daarop een verzoek bij de kantonrechter ingediend om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft in zijn beschikking van 6 augustus 2021 geoordeeld dat het handelen van ex-werknemer, bestaande uit het met verkoudheidsklachten op het werk verschijnen en niet naar huis willen gaan, weliswaar verwijtbaar is, maar niet dusdanig ernstig dat van appellante in redelijkheid niet gevergd kon worden dat zij de arbeidsovereenkomst zou laten voortduren. Dit geldt volgens de kantonrechter ook als deze handelwijze in samenhang wordt bezien met een vermeende overtreding van het verzuimprotocol omdat de ex-werknemer zich volgens appellante niet op de juiste wijze zou hebben ziekgemeld. Dat ex-werknemer diverse kwaliteitskritische handelingen niet heeft verricht, zoals door appellante gesteld, is door ex-werknemer gemotiveerd bestreden en heeft de kantonrechter onvoldoende onderbouwd geacht. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst vervolgens ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Volgens de kantonrechter heeft ex-werknemer door zijn gedragingen op 15 maart 2021 het vertrouwen van appellante en zijn collega’s beschaamd. De exwerknemer heeft deze vertrouwensbreuk in de ontbindingsprocedure vervolgens nog groter gemaakt door geen berouw te tonen, te blijven volhouden in het eigen gelijk en de verklaringen van zijn collega’s en leidinggevenden over het gebeuren op 15 maart 2021 als ongeloofwaardig te bestempelen en daarmee zijn collega’s in feite van liegen te beschuldigen. Onder deze omstandigheden heeft de kantonrechter een terugkeer van exwerknemer naar appellante en zijn collega’s onmogelijk geacht.
5.5.
Evenals de kantonrechter is de Raad van oordeel dat de gedragingen van exwerknemer op 15 maart 2021 weliswaar verwijtbaar waren, maar niet zodanig ernstig dat deze – mede gelet op het langdurige dienstverband van ex-werknemer bij appellante – een einde van het dienstverband voorzienbaar deden zijn. Dit wordt niet anders door de gespreksverslagen uit de periode 2002-2012 die door appellante in hoger beroep zijn overgelegd. Dat het verweer van ex-werknemer tijdens de procedure bij de kantonrechter de arbeidsverhouding nog verder heeft verstoord waardoor die volgens de kantonrechter onherstelbaar is beschadigd, maakt dit niet anders. Op grond van artikel 45, zevende lid, van de ZW was ex-werknemer immers gehouden zich inhoudelijk te verweren tegen het ontbindingsverzoek van appellante. Ex-werknemer heeft zich aan die verplichting gehouden door de verklaringen van zijn collega’s te weerspreken. Anders dan appellante meent, gaat de verplichting van artikel 45, zevende lid, van de ZW daarbij niet zover dat van exwerknemer kon worden gevergd dat hij hoger beroep instelde tegen de beschikking van de kantonrechter.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de ZW-uitkering, zonder oplegging van een maatregel, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.P.A. Elzer