ECLI:NL:CRVB:2026:664

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
24/1649 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004Art. 3:4 AwbArt. 17 ParticipatiewetArt. 30c ParticipatiewetArt. 54 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand zelfstandige ondanks beroep op evenredigheidsbeginsel

Appellant ontving bijstand samen met zijn partner en was vanaf november 2021 als zelfstandige in Duitsland actief, wat het college bij de besluitvorming betrok. Na melding van de start van zijn onderneming op 16 april 2022 trok het college de bijstand per 14 april 2022 in en vorderde de kosten terug. Appellant voerde aan dat het college zijn belangen onvoldoende had meegewogen, hem niet had gewezen op de gevolgen van het starten als zelfstandige, en dat het bedrijf verlies draaide.

De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering en dat de belangenafweging niet onevenwichtig was. Het college kon aannemen dat appellant al vóór 14 april 2022 als zelfstandige actief was, gezien inschrijving Kamer van Koophandel, zakelijke rekening, huurbetalingen en aankopen. Het ontbreken van inkomsten uit het bedrijf woog niet zwaar genoeg om de intrekking onredelijk te maken.

Ook de stelling dat het college zelf had bijgedragen aan het voortduren van de bijstand werd verworpen, omdat de betaling al per 1 mei 2022 was geblokkeerd. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand aan appellant worden bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

24/1649 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 juni 2024, 24/1880 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)
Datum uitspraak: 12 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de intrekking en terugvordering van aan appellant en zijn partner (X) verleende bijstand. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant als zelfstandige is aan te merken en daarom geen recht heeft op bijstand. Appellant voert aan dat het college bij de intrekking en terugvordering zijn belangen onvoldoende in acht heeft genomen. Het college wist dat hij een eigen bedrijf wilde beginnen, maar heeft hem niet gewezen op de gevolgen van het starten als zelfstandige. Verder heeft het college geen rekening gehouden met het feit dat het bedrijf van appellant verlies draaide en dat het college nadat appellant de start van zijn bedrijf had gemeld, heeft bijgedragen aan het voortduren van de bijstand. Appellant krijgt geen gelijk. De belangenafweging van het college is niet onevenwichtig geweest.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van de Griek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Oosterhuis-Putter. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Padmos.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving samen met X sinds 8 april 2021 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft appellant bij de toekenning van de bijstand tot en met 5 juni 2022 ontheven van de sollicitatieplicht, omdat hij plannen had om als zelfstandige aan de slag te gaan.
1.2.
Appellant heeft op 16 april 2022 gebeld met de afdeling Werk & Inkomen. Hij heeft gemeld dat hij op 16 april 2022 is begonnen met een eigen zaak in [plaats] (Duitsland). Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en X verleende bijstand. Het college heeft de betaling van de bijstand met ingang van 1 mei 2022 geblokkeerd en heeft op 12 mei 2022 bankafschriften en stukken over het bedrijf in [plaats] opgevraagd bij appellant. Appellant heeft informatie opgestuurd en op 19 mei 2022 verklaard dat hij zijn winkel is gestart op 14 april 2022. Hij werkt daar elke dag van 11:00 uur tot 20:00 uur. Het college heeft op 24 mei 2022 om aanvullende gegevens gevraagd. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 12 juli 2022.
1.3.
Met twee besluiten van 12 juli 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 januari 2024 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant en X ingetrokken vanaf 14 april 2022 en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 april 2022 tot en met 30 april 2022 van appellant en X teruggevorderd tot een bedrag van € 839,57. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant per 14 april 2022 als zelfstandige wordt aangemerkt en dat hij en X daarom vanaf die datum geen recht hebben op bijstand op grond van de PW. Bij de besluitvorming heeft het college betrokken dat appellant al per een eerdere datum als zelfstandige kon worden aangemerkt. Gelet daarop en gelet op de relatief korte terugvorderingsperiode, is van strijd met het evenredigheidsbeginsel geen sprake.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Niet in geschil is dat appellant vanaf 14 april 2022, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, als zelfstandige is aan te merken als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Ook niet in geschil is dat het college bevoegd was om de bijstand van appellant en X in te trekken en de kosten van bijstand over de periode in april 2022 van hen terug te vorderen.
4.2.
Het hoger beroep komt er op neer dat het college een onevenwichtige belangenafweging heeft gemaakt bij de besluiten tot intrekking en terugvordering van de bijstand. Volgens appellant heeft het college zijn belangen onvoldoende gewogen. Het college wist dat hij een eigen bedrijf wilde beginnen, maar heeft hem niet gewezen op de gevolgen van het starten van een eigen bedrijf. Verder heeft het college geen rekening gehouden met het feit dat hij in 2022, net als in 2023 en 2024, verlies draaide met zijn bedrijf. Ten slotte wijst appellant erop dat het college, nadat appellant de start van zijn bedrijf had gemeld op 16 april 2022, herhaaldelijk informatie heeft opgevraagd, zonder een signaal te geven over de gevolgen van de start van de onderneming voor het recht op bijstand. Hiermee heeft het college bijgedragen aan het voortduren van de bijstandverlening. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.2.1.
Op grond van het evenredigheidsbeginsel mogen de voor betrokkene nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Dat volgt uit artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. [1]
4.2.2.
Het college heeft zich bij de afweging van de belangen op het standpunt kunnen stellen dat appellant ook al vóór 14 april 2022 als zelfstandige werkzaam was. Appellant stond namelijk vanaf november 2021 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel in Duitsland en hij had toen al een zakelijke rekening in Duitsland geopend. Appellant heeft in januari 2022 voor de eerste keer huur betaald voor het bedrijfspand en uit de op verzoek van het college door appellant in mei/juni 2022 ingeleverde bankafschriften blijkt dat hij al in februari 2022 de eerste aankopen voor het bedrijf heeft gedaan. Verder is uit de ingeleverde bankafschriften en nadere stukken gebleken dat appellant in de periode voorafgaand aan de melding diverse leningen had afgesloten voor zijn bedrijf, welke leningen het college niet heeft betrokken bij de beoordeling van het recht op bijstand, omdat appellant de ontvangen gelden in zijn onderneming heeft gestopt. Het college heeft tot slot betekenis toegekend aan de omstandigheid dat duidelijker uitgelegd had kunnen worden aan appellant wat de gevolgen zijn van het starten van een onderneming. Dat was de reden om niet verder terug te gaan met de intrekking en de terugvordering van de bijstand dan het moment waarvan appellant heeft gemeld te zijn begonnen met zijn onderneming.
4.2.3.
Aan het ontbreken van inkomsten uit het bedrijf komt bij de belangenafweging niet het gewicht toe dat appellant daaraan toekent. Appellant heeft bij de invordering als schuldenaar bescherming, of kan deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.2.4.
De stelling dat het college zelf heeft bijgedragen aan het voortduren van de situatie, en kennelijk ook bij het onnodig oplopen van het terugvorderingsbedrag, mist feitelijke grondslag. Het college heeft immers na de telefonische melding op 16 april 2022 al per 1 mei 2022 de betaling van de bijstand geblokkeerd, waardoor de terugvordering beperkt is tot de periode van 16 april 2022 tot en met 30 april 2022. Dat het college na de blokkering gegevens heeft opgevraagd in het kader van een zorgvuldige belangenafweging, heeft er niet toe geleid dat de vordering is opgelopen.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de bijstand in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste en tweede lid, aanhef en onder a
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:
a. anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Artikel 1. Definitiebepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
b. zelfstandige: de belanghebbende van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die:
1°. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;
2°. voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en
3°. alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico's daarvan draagt;
[…]

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207 en 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1696.