Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:646

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
24/2646 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen op achttiende verjaardag en vijf jaar daarna

Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van het ontbreken van arbeidsvermogen op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna. Het UWV weigerde de uitkering na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waarbij geen bewijs werd gevonden voor duurzame arbeidsbeperkingen op de relevante periode.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geen medische informatie had overgelegd die het oordeel van de verzekeringsarts betwistte. Appellant stelde in hoger beroep dat hij naast gedragsproblematiek ook een persoonlijkheidsstoornis had en dat het onderzoek niet volgens de richtlijn ontwikkelingsstoornissen was uitgevoerd.

De Raad oordeelde dat het niet objectief vaststaat dat appellant duurzaam arbeidsongeschikt was op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna. De diagnose persoonlijkheidsstoornis was onduidelijk en niet tijdig vastgesteld. Het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen op de achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna.

Uitspraak

24/2646 WAJONG
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 april 2024, 23/8024 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Appellant vindt dat hij op [geboortedatum] 2009 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) en in de periode van vijf jaar daarna (duurzaam) niet over arbeidsvermogen beschikte. Daarom was hij jonggehandicapte. De Raad volgt dit standpunt niet en oordeelt dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 oktober 2025. Voor appellant is
mr. Fakiri verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1991, heeft met een door het Uwv op 25 november 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij de aanvraag is geen (medische) informatie gevoegd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarbij informatie is opgevraagd bij de huisarts. De huisarts heeft een huisartsjournaal verstrekt en heeft ook informatie ingezonden van de internist-nefroloog en van behandelcentrum voor ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg De Waag (De Waag). De conclusie uit het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige is dat appellant arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 8 februari 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 8 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij ook de vaststelling van de medische situatie van appellant op zijn achttiende verjaardag beoordeeld. Uit de overgelegde informatie van de huisarts is duidelijk dat er toen geen beperkende lichamelijke problematiek bestond. De schildklierproblematiek is van veel latere datum; appellant is daarvoor pas in 2021 onder behandeling gekomen. Uit de informatie van De Waag is het duidelijk dat sprake was van gedragsproblematiek, maar er is geen bewijs van een duidelijke tot arbeidsbeperkingen leidende psychiatrische stoornis. Voor zover er onduidelijkheid is, komt dat voor rekening en risico van appellant, omdat hij een laattijdige aanvraag heeft gedaan.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig geweest. De rechtbank heeft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat niet is gebleken van arbeidsbeperkende medische beperkingen op achttienjarige leeftijd, gevolgd. Van lichamelijke beperkingen is in het geheel niet gebleken en op het psychische vlak is op het achttiende levensjaar alleen gedragsproblematiek aannemelijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd die aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep doet twijfelen. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad, [1] heeft de rechtbank overwogen dat de bewijslast en het bewijsrisico bij appellant liggen, omdat een
medisch beeld met het verstrijken van de jaren moeilijker is vast te stellen.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn psychische problematiek op achttienjarige leeftijd niet alleen gedragsproblematiek was, maar dat ook sprake was van een persoonlijkheidsstoornis. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant in hoger beroep twee pagina’s uit het dossier van De Waag overgelegd. Appellant heeft aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringsartsen niet conform de Richtlijn ontwikkelingsstoornissen Wajong heeft plaatsgevonden. Appellant heeft gesteld dat de gediagnostiseerde gedragsstoornis en de problematiek die deze veroorzaakte voor de verzekeringsarts voldoende grond hadden moeten zijn om nader onderzoek te verrichten naar het intelligentieniveau van appellant en ontwikkelingsstoornissen. Ter zitting is namens appellant verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige (psychiater).
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 16 september 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op verzoek van de Raad eveneens beoordeeld of appellant op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajonguitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als hij op zijn achttiende verjaardag of, kort gezegd tijdens studie, duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.
4.2.
Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op zijn achttiende verjaardag of tijdens studie beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Dat moet dan wel voortkomen uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen ondervond op zijn achttiende verjaardag of tijdens studie.
4.3.
Bij een laattijdige aanvraag als hier aan de orde dient naar vaste rechtspraak naast een beoordeling aan de hand van de criteria van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong beoordeeld te worden of appellant op grond van artikel 1a:1, tweede lid, alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, omdat hij (in dit geval) op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag of tijdens studie alsnog jonggehandicapte is geworden. [2]
4.4.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Dat bij appellant sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen als bedoeld in de Wajong in de voor hem relevante periode van [geboortedatum] 2009 tot [geboortedatum] 2014 kan, anders dan appellant meent, niet objectief worden vastgesteld. Uit de bij de beoordeling betrokken informatie van De Waag blijkt alleen dat appellant op achttienjarige leeftijd een gedragsstoornis had en dat behandeling in 2009 niet van de grond kwam, omdat appellant niet gemotiveerd was. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen bewijs is van een duidelijke tot arbeidsbeperkingen leidende psychiatrische stoornis op achttienjarige leeftijd, is dan ook navolgbaar. De beroepsgrond dat hij op achttienjarige leeftijd ook een persoonlijkheidsstoornis had, slaagt niet. Zoals namens appellant ter zitting is erkend, is onduidelijk wanneer de diagnose persoonlijkheidsstoornis aan het dossier van De Waag is toegevoegd. In de bij het bezwaar betrokken brief van 3 juni 2010 van De Waag werd de persoonlijkheidsstoornis in ieder geval nog niet genoemd. De beroepsgrond dat niet conform de Richtlijn ontwikkelingsstoornissen Wajong is beslist en het Uwv nader onderzoek had moeten verrichten, slaagt daarom evenmin. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt ook gevolgd in het standpunt dat er geen medische gegevens zijn waaruit blijkt dat appellant in de vijf jaar na zijn achttiende verjaardag zijn arbeidsvermogen is verloren. Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige. Het daartoe gedane verzoek wordt daarom afgewezen.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in het standpunt dat appellant niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 16 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4831.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2565.