ECLI:NL:CRVB:2026:646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen op achttiende verjaardag en vijf jaar daarna
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van het ontbreken van arbeidsvermogen op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna. Het UWV weigerde de uitkering na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waarbij geen bewijs werd gevonden voor duurzame arbeidsbeperkingen op de relevante periode.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geen medische informatie had overgelegd die het oordeel van de verzekeringsarts betwistte. Appellant stelde in hoger beroep dat hij naast gedragsproblematiek ook een persoonlijkheidsstoornis had en dat het onderzoek niet volgens de richtlijn ontwikkelingsstoornissen was uitgevoerd.
De Raad oordeelde dat het niet objectief vaststaat dat appellant duurzaam arbeidsongeschikt was op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna. De diagnose persoonlijkheidsstoornis was onduidelijk en niet tijdig vastgesteld. Het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen op de achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna.