Uitspraak
16.6861 WAJONG
OVERWEGINGEN
19 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1991, vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van medische beperkingen die hij zou hebben gehad rond zijn achttiende verjaardag. Hij stelde dat hij al voor zijn achttiende jaar psychische klachten had die hem arbeidsongeschikt maakten. Het UWV wees de aanvraag af omdat volgens hun verzekeringsartsen de arbeidsongeschiktheid pas vanaf 29 mei 2015, na een gedwongen opname wegens psychose en depressie, aanwezig was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen sprake was van schending van het gelijkheidsbeginsel (equality of arms). Appellant had voldoende gelegenheid gehad om medische stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn stelling.
Verder concludeerde de Raad dat er geen medische informatie was die steun bood aan de stelling dat appellant op zijn achttiende verjaardag beperkingen ondervond die hem tot jonggehandicapte maakten. De bewijslast bij een laattijdige aanvraag ligt bij de aanvrager, en appellant kon dit niet aannemelijk maken. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV dat appellant geen Wajong-uitkering toekomt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.